Volgens Murat Karayılan bevindt het vredesproces tussen de Koerdische vrijheidsbeweging en de Turkse staat zich op een kritiek punt. In een interview met Stêrk TV legt de commandant van het centrale hoofdkwartier van de Volksverdedigingskrachten (HPG) uit waarom de stappen die de Koerdische kant tot nu toe heeft gezet, niet voldoende zijn zolang Ankara geen politieke en juridische voorwaarden voor een oplossing schept. Centraal staan de vrijlating van de Koerdische vertegenwoordiger Abdullah Öcalan, de terugkeer van de guerrillastrijders in het politieke leven en het overwinnen van het wederzijdse wantrouwen. Karayılan spreekt bovendien over de gevaren voor het zelfbestuur in Rojava, de politieke versnippering in Zuid-Koerdistan, de zelfverdediging van de Yezidi’s in Şengal en de gevolgen van de terugtrekking van de internationale anti-IS-coalitie uit de regio. Gezien de herordening van het Midden-Oosten pleit hij voor een gezamenlijke Koerdische strategie die verder reikt dan partijbelangen.
28 jaar internationaal complot tegen Öcalan
Er zijn 28 jaar verstreken sinds het begin van het internationale complot tegen Abdullah Öcalan en het Koerdische volk. Hoe is dit complot tot stand gekomen en welke doelen werden ermee nagestreefd?
Allereerst wil ik naar aanleiding van het 28e jaar van het internationale complot van 9 oktober 1998 veroordelen en alle gesneuvelden van de Koerdische revolutie eerbiedig gedenken. Ik gedenk in het bijzonder die moedige mensen die onder de leus „Jullie kunnen onze zon niet verduisteren“ hun eigen lichaam in brand staken. Tegelijkertijd gedenk ik het bloedbad op het station van Ankara, nu elf jaar geleden, met groot respect alle mensen die daar het leven hebben verloren.
Al vele jaren discussiëren we over de achtergronden en doelstellingen van dit internationale complot. Ik wil enkele aspecten benadrukken die van belang zijn voor het begrip ervan. Het eerste doel was het verhinderen van een oplossing voor de Koerdische kwestie. Rêber Apo [Abdullah Öcalan] had op 1 september 1998 een eenzijdig staakt-het-vuren afgekondigd en zich vervolgens tot Europa gewend om een politieke oplossing mogelijk te maken. Als het zijn bedoeling was geweest om de oorlog uit te breiden, zou hij zich in de bergen van Koerdistan hebben teruggetrokken. Dat heeft hij zelf zo verklaard. Zijn besluit was echter erop gericht om de oorlog te beëindigen. Daarom zocht hij de weg naar Europa.
Nadat er in Griekenland problemen waren ontstaan, reisde Rêber Apo eerst naar Rusland en van daaruit verder naar Rome. In de Italiaanse hoofdstad presenteerde hij zijn programma voor een politieke oplossing aan de pers. In die tijd was Massimo D’Alema premier van Italië. Hij was een democratisch gezinde politicus die zich wilde inzetten voor een oplossing. Hij voerde gesprekken in verschillende Europese landen, waaronder ook Duitsland. Maar uiteindelijk werd hij onder druk gezet om deze inspanningen te staken. Met name de toenmalige Duitse bondskanselier Gerhard Schröder toonde weinig bereidheid om deze koers te steunen. Blijkbaar was ook hij door de VS en Groot-Brittannië in die zin beïnvloed. Als gevolg daarvan gaf D’Alema zijn inspanningen op.
De internationale dimensie van het complot
De betrokken staten hadden al plannen ontwikkeld om Rêber Apo te arresteren en aan Turkije uit te leveren. Waarom? Omdat ze de Koerdische kwestie verder wilden verscherpen en een oorlog tussen het Koerdische volk en de Turkse staat wilden ontketenen, die zich decennia lang zou voortslepen. Daarin lag de werkelijke bedoeling achter de ontvoering en uitlevering van Rêber Apo. Het was een politieke misleidingsmanoeuvre, in zekere zin een complot binnen het complot.
De toenmalige Turkse regering zag deze verbanden echter niet in. Bülent Ecevit was destijds premier. Hij verklaarde later: „Ik heb niet begrepen waarom Amerika Abdullah Öcalan aan ons heeft uitgeleverd.“ Ecevit was zeker een politiek bewust mens. Mogelijk koesterde hij al een vermoeden of had hij in ieder geval gedeeltelijk begrepen waar het om ging. Dat zou ook kunnen verklaren waarom hij zich later tegen de executie van Rêber Apo verzette.
Over het algemeen begreep Turkije de reikwijdte van deze gebeurtenissen echter niet. Ook wijzelf zagen die aanvankelijk niet in. Als leiding van de beweging reageerden we met een intensivering van de gewapende strijd, omdat we de situatie op die manier interpreteerden. De enige die de werkelijke bedoeling doorzag, was Rêber Apo. Later liet hij ons een boodschap toekomen. Eind april 1999 kwam zijn advocaat Mahmut Şakar via een onofficiële route naar Oost-Koerdistan en werd hij naar ons toegebracht. Hij deelde ons de inschatting van Rêber Apo mee: een uitbreiding van de oorlog zou onder deze omstandigheden verkeerd zijn. Het zou precies in de opgezet val leiden. Daarom moest er een einde aan de oorlog worden gemaakt. Twee dagen lang hebben we ons intensief beziggehouden met het doorgronden van de overwegingen van Rêber Apo en zijn politieke inschatting.
We hebben de gevechten destijds niet onmiddellijk gestaakt, omdat we eerst zijn standpunt beter wilden begrijpen. In die tijd vonden er in Istanbul en talrijke andere steden in Turkije brandstichtingen en zelfopofferingsacties plaats. Ter gelegenheid van 1 mei, de internationale strijddag van de arbeidersklasse, verklaarden we echter tijdens een persconferentie dat we deze acties zouden staken. Daarna volgden verdere gesprekken en contacten. Geleidelijk aan begonnen we de overwegingen van Rêber Apo beter te begrijpen. Uiteindelijk beëindigden we op 2 augustus 1999, op zijn oproep, de oorlog. Vijf jaar lang werd er geen enkel schot gelost. Op deze manier dwarsboomde Rêber Apo het plan dat ten grondslag lag aan de Britse strategie en dat erop gericht was Koerden en Turken tegen elkaar op te zetten.
Een complot waarvan de gevolgen tot op de dag van vandaag voortduren
Het lijdt geen twijfel dat het internationale complot erop gericht was onze leiding en de Koerdische vrijheidsbeweging te vernietigen. Dat was een van de belangrijkste doelstellingen. Maar er was nog een tweede essentieel doel: het verzwakken van de Koerdische beweging in het hele Midden-Oosten. Destijds dachten veel politici buiten onze beweging dat het complot uitsluitend gericht was tegen Rêber Apo en de PKK. In werkelijkheid was het echter via zijn persoon gericht tegen het gehele Koerdische volk. Het betrof een verraderlijke aanval die niet alleen het Koerdische volk trof, maar ook de volkeren van de regio. De krachten die hierachter zaten, wilden de Koerden verzwakken, hen politiek terugdringen en hen een bepalende rol in de regio ontzeggen.
Ik zou zelfs zeggen dat dit beleid tot op de dag van vandaag wordt voortgezet. Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar de gebeurtenissen van januari 2026. Op 5 januari vond in Parijs een bijeenkomst plaats waarbij bepaalde beslissingen werden genomen. Al de volgende dag, op 6 januari, begon in Aleppo het offensief tegen de Syrische Democratische Krachten (SDF). Rêber Apo bestempelde deze aanval als een tweede complot. Ook wij hebben dit op dezelfde manier beoordeeld. Het offensief was erop gericht de SDF een zelfstandige politieke rol te ontzeggen en hen met geweld in te lijven in het systeem dat bepaalde machten in Syrië willen opzetten. Hierachter schuilde een interstatelijk concept dat dienovereenkomstig werd uitgevoerd. Een soortgelijk beleid zien we in Oost-Koerdistan. Ook daar wilde men voorkomen dat de Koerden een toonaangevende politieke speler zouden worden, en werden ze naar de achtergrond gedrongen. In Zuid-Koerdistan hebben internationale krachten op hun beurt hun aanwezigheid teruggeschroefd, alsof de regio voor hen geen bijzondere betekenis meer had.
Hierachter schuilt een fundamentele politieke strategie: de Koerden mogen geen leidende rol op zich nemen. Er wordt keer op keer geprobeerd hen naar de marge te verdringen en hen politieke invloed te ontzeggen. Dit beleid begon met het internationale complot tegen Rêber Apo en duurt tot op de dag van vandaag voort. Het oorspronkelijke doel was echter onze volledige vernietiging. Dit doel is niet bereikt. Het complot kon grotendeels worden verijdeld en bleef op essentiële punten zonder succes. Toch is het nog niet voorbij. De politieke gevolgen ervan blijven bestaan en de strategie die erachter schuilgaat is nog steeds actueel. Zolang Rêber Apo niet fysiek vrij is, duurt het internationale complot voort.
Eenzijdige stappen en uitblijvende tegenprestaties
In welk stadium bevindt het proces voor vrede en een democratische samenleving zich momenteel?
Zoals bekend duurt dit proces inmiddels al bijna twee jaar. Wij hebben als Koerdische partij tot nu toe talrijke eenzijdige stappen ondernomen. We hebben de gevechtshandelingen gestaakt, een wapenstilstand afgekondigd, het 12e congres van de PKK gehouden, de PKK ontbonden en de strategie van de gewapende strijd beëindigd. Vervolgens hebben dertig van onze medestrijders onder leiding van kameraad Besê als politiek signaal hun wapens verbrand. Bovendien hebben we onze troepen uit Noord-Koerdistan teruggetrokken.
Wat heeft de Turkse staat in ruil daarvoor ondernomen? We beweren niet dat er helemaal niets is gebeurd. Ook van overheidszijde zijn er bepaalde inspanningen geleverd. Voor het eerst werd in het Turkse parlement een commissie met vijftig leden ingesteld, die gedurende meerdere maanden aan de slag ging. Uiteindelijk legde zij een rapport met desbetreffende voorstellen voor. Dit vertoonde weliswaar aanzienlijke tekortkomingen, maar ging in ieder geval in op het perspectief van een politieke oplossing.
Daarna brak opnieuw een fase van stilstand aan. Uiteindelijk keurde het Turkse parlement met een meerderheid van stemmen een wet goed. Bij de uitwerking daarvan werd echter geen rekening gehouden met de standpunten van Rêber Apo, noch met onze opvattingen. Het gaat om een eenzijdig tot stand gekomen wet, die uitsluitend een veiligheidspolitieke logica volgt. Centraal staat de wapenafgifte, hoewel daar zelfs geen uitgebreide regeling voor is vastgesteld. In plaats daarvan wordt er onderscheid gemaakt tussen de leiding en de overige structuren van de beweging en wordt er een overeenkomstige indeling gemaakt. Deze wet schiet in vele opzichten tekort. Voor een daadwerkelijke oplossing van de Koerdische kwestie is deze zeker niet toereikend.
„Öcalan moet het proces zelf kunnen leiden“
Tijdens het 12e congres van de PKK hebben we een fundamenteel besluit genomen: Rêber Apo moet dit proces zelf kunnen leiden. Dat betekent dat hij fysiek vrij moet zijn. Hij moet het ontwapeningsproces rechtstreeks kunnen leiden, want niemand anders is daartoe in staat. Dit besluit hebben we tijdens het congres genomen, en zowel talrijke kameraden als onze leiding hebben dit standpunt vervolgens herhaaldelijk bevestigd. Maar de Turkse staat heeft tot op heden geen enkele stap in die richting gezet. Rêber Apo zit nog steeds gevangen op Imrali. Zeker, in vergelijking met vroeger zijn de detentieomstandigheden enigszins versoepeld. Zo konden zijn familie en die van de andere daar gevangen gehouden kameraden hem onlangs bezoeken. Af en toe reist ook de Imrali-delegatie van de DEM-partij naar het eiland. Dat betekent echter geenszins dat Rêber Apo niet meer gevangen zit of dat zijn isolatie is opgeheven.
De Turkse staat heeft tot nu toe niets ondernomen met betrekking tot deze fundamentele kwestie. Integendeel: zelfs de taal die door de staat wordt gebruikt, wordt nog steeds gekenmerkt door beledigingen en minachting. Er is een dialoog gaande tussen Rêber Apo en een delegatie van de staat. Daarnaast beschikken ook wij buiten de gevangenis over een delegatie die gesprekken voert met vertegenwoordigers van de staat. In deze gesprekken komen de genoemde kwesties steeds weer aan de orde. De staat heeft daarbij herhaaldelijk geëist dat wij al onze troepen uit Noord-Koerdistan en ook uit Metîna terugtrekken. Dit zou, zo luidt hun redenering, de staat de zekerheid moeten geven dat er van onze kant geen enkel gevaar meer uitgaat.
Wij hebben erop gewezen dat onze troepen in Noord-Koerdistan zich niet bevinden in gebieden waaruit een bedreiging zou kunnen voortkomen. Zij staan onder onze controle. Hetzelfde geldt voor onze troepen in Metîna. Over deze kwesties is gedurende een lange periode onderhandeld. Uiteindelijk hebben de vertegenwoordigers van de staat hun standpunt zo ver aangescherpt dat zij verklaarden dat er zonder deze terugtrekkingen geen verdere stappen zouden worden ondernomen. Daarom hebben wij uiteindelijk besloten ook deze maatregelen door te voeren. Wij wilden de staat alle voorwendsels ontnemen en nagaan of hij daadwerkelijk bereid is om van zijn kant concrete stappen te ondernemen.
Terugtrekkingen om de politieke impasse te doorbreken
Het publiek en al onze vrienden moeten één ding weten: we hebben deze stappen niet genomen omdat het proces zich positief zou hebben ontwikkeld. Integendeel, we zagen het gevaar dat het in een impasse zou kunnen raken. Om een dergelijke blokkade te voorkomen, de weg vrij te maken voor verdere ontwikkelingen en de Turkse staat ertoe aan te zetten zelf stappen te ondernemen, hebben we drie maatregelen genomen. De eerste maatregel bestond erin al onze troepen terug te trekken uit de regio’s Botan, Mêrdîn en Amed. Deze terugtrekking werd op 26 september voltooid. Al sinds september vorig jaar hadden we onze eenheden uit talrijke gebieden in Noord-Koerdistan teruggetrokken. Uiteindelijk waren er nog troepen in deze drie regio’s achtergebleven. De Turkse staat was op de hoogte van hun aanwezigheid en hield ze in de gaten. Hij eiste ook hun terugtrekking.
Wij verklaarden dat deze eenheden geen enkel gevaar vormden, dat zij geen acties ondernamen en niemand schade toebrachten. Desondanks hield de staat vast aan zijn eis. Uiteindelijk hebben we ook deze troepen teruggetrokken. Daarmee was de terugtrekking van onze eenheden uit Noord-Koerdistan op 26 september van dit jaar volledig afgerond. Al op 26 oktober 2025 hadden onze kameraden tijdens een persconferentie de betreffende stappen aangekondigd. De tweede maatregel betreft onze onder de radar opererende eenheden in Noord-Koerdistan en de grote Turkse steden. Ook over hun bestaan beschikt de staat over inlichtingen. Daarom eiste hij dat wij deze speciale eenheden, die wij Hêzên Taybet noemen, eveneens terugtrekken. Deze terugtrekking voeren wij momenteel uit. De desbetreffende instructies zijn al aan de betrokken eenheden doorgegeven en de nodige voorbereidingen zijn in volle gang.
Metîna: terugtrekking onder voorwaarden
Op 17 april 2021 begon het Turkse leger een grootschalig bezettingsoffensief tegen Zuid-Koerdistan, met name tegen de Medya-verdedigingsgebieden. Er waren al eerder aanvallen geweest op Heftanîn, Zap, Avaşîn en Xakurke, maar niet op deze schaal. Op 17 april ging een grootschalige militaire operatie van start, met als doel de bezetting van deze gebieden. De eerste aanvallen waren gericht tegen Metîna en begonnen in Zendura. Het Turkse leger wilde Metîna bezetten. Sinds het begin van dit offensief zijn er meer dan vijf jaar verstreken. Hoewel de gevechten al anderhalf jaar stil liggen, heeft Turkije daarvoor vier en een half jaar lang geprobeerd ons met militair geweld uit Metîna te verdrijven. Daarbij heeft het alle beschikbare wapens ingezet. Het gebruikte chemische wapens en tactische kernwapens en viel ons dagelijks aan met gevechtsvliegtuigen. Bovendien kreeg het steun uit Irak en van bepaalde regionale krachten. Hun doel was om ons uit deze gebieden te verdrijven. Maar dat is hen niet gelukt. Toch bleef de Turkse kant er met grote nadruk op aandringen dat we Zap en Metîna zouden verlaten.
Vorig jaar stuurde Rêber Apo ons een brief. Daarin verklaarde hij: „Om de weg vrij te maken voor het proces, kunnen jullie je uit Zap terugtrekken.“ Op basis daarvan hebben we onze troepen uit Zap teruggetrokken. Ons volk moet echter weten dat ook wij voorwaarden hebben gesteld voor de terugtrekking uit Metîna en Noord-Koerdistan. Deze voorwaarden gelden eveneens voor Zap. Onze begraafplaatsen voor gesneuvelden in Noord-Koerdistan en de Medya-verdedigingsgebieden moeten worden beschermd. We moeten de mogelijkheid hebben om ze te onderhouden en te herstellen. Bovendien moeten we de stoffelijke resten van onze daar gesneuvelde vrienden en vriendinnen zonder problemen kunnen bergen en overbrengen naar centrale begraafplaatsen voor gesneuvelden. Dat waren onze voorwaarden. De staat heeft ons hierover toezeggingen gedaan, en deze toezeggingen moet hij nakomen.
Maar bovenal hebben we deze stappen ondernomen om de Turkse kant ertoe aan te zetten zelf actie te ondernemen. Op basis daarvan hebben we ook onze troepen uit Metîna teruggetrokken. Zoals eerder vermeld, zijn de laatste daar achtergebleven kameraden op 8 oktober met een konvooi uit het dorp Bazyan in Metîna geëvacueerd. De gehele terugtrekkingsoperatie duurde vier dagen. Elke dag verlieten onze troepen weer een nieuw gebied, totdat de terugtrekking volledig was afgerond. Vanuit ons perspectief heeft Turkije daarmee geen enkel excuus meer om verdere stappen uit te stellen. Nu is het de beurt aan de Turkse staat. Als deze niet handelt, zullen noch onze kameraden, noch ons volk, noch wijzelf nog vertrouwen in dit proces kunnen hebben.
De staat verklaart dat zij uiteindelijk een wet heeft aangenomen. Maar die wet is een andere kwestie. Onze belangrijkste voorwaarde is: Rêber Apo moet in staat zijn om dit proces zelf te leiden en zijn rol daarin daadwerkelijk te vervullen. Als de staat geen nieuw besluit neemt over Rêber Apo, kan dit proces niet vooruitkomen. Dat is volkomen duidelijk, en we hebben het al ontelbare keren gezegd. Rêber Apo is de politieke leider van dit volk. Ter gelegenheid van de verjaardag van het internationale complot van 9 oktober gingen in heel Noord-Koerdistan duizenden, tienduizenden mensen de straat op om het complot te veroordelen. Met hun leuzen gaven ze uiting aan het feit dat Rêber Apo hun politieke wil belichaamt.
Zonder de vrijheid van Öcalan kan er geen vrede zijn
Rêber Apo is de leider van dit volk. Zolang de leider gevangen wordt gehouden, kan er geen vrede zijn. Daar komt nog bij dat Rêber Apo dit proces op eigen initiatief leidt. Hij heeft daar zelf over gezegd: „Ik speel helemaal alleen schaak. Noch de organisatie, noch de staat speelt mee. Ik ben degene die speelt.“ Dat heeft hij zowel tegenover de staatsdelegatie als tegenover de Imrali-delegatie van de DEM-partij verklaard. Daarmee wilde hij duidelijk maken dat zowel wij als de staat concrete stappen moeten ondernemen. Maar terwijl wij actie hebben ondernomen, is de staat tot nu toe passief gebleven.
De Turkse staat moet Rêber Apo de mogelijkheid geven om zijn politieke rol daadwerkelijk te vervullen. Waarom zeg ik dit? De AKP verklaart dat de bevolking weliswaar een succesvolle afronding van het proces wenst, maar nog niet bereid is om de vrijheid van Rêber Apo te accepteren. Goed, dan moeten jullie de bevolking daar dus op voorbereiden. Als jullie hem elke dag een „terroristenleider“ noemen, is het toch vanzelfsprekend dat de mensen op een gegeven moment vragen: „Waarom willen jullie een terroristenleider vrijlaten?“ Dat is de taal van de staat, niet de onze. Toch heeft Turkije de afgelopen twee jaar aanzienlijk geprofiteerd van het proces dat Rêber Apo op eigen initiatief heeft gestimuleerd. Hierdoor is de druk op de staat politiek gezien verlicht. Voorheen leed Turkije aan een heus ‘Koerdensyndroom’, aan de voortdurende angst voor een mogelijke opsplitsing van het land. Bestaat die angst vandaag de dag nog? Nee.
In plaats daarvan verspreidt de regering dagelijks de boodschap: „Wij zijn een sterke staat. Het proces voor een terreurvrij Turkije verloopt op rolletjes.“ Maar waar verloopt er nu eigenlijk iets op rolletjes? Enkele dagen geleden verklaarde parlementsvoorzitter Numan Kurtulmuş dat alles zich uitstekend ontwikkelt. Zeker, wij ondernemen concrete stappen. Maar wat ondernemen jullie? Van hun kant gebeurt er praktisch niets. Af en toe laat Devlet Bahçeli van zich horen. De laatste tijd heeft hij herhaaldelijk gezegd dat de status van Rêber Apo moet worden opgehelderd en dat hij de coördinatie van een commissie voor vrede en politieke activiteiten op zich zou kunnen nemen. Maar de AKP reageert tot nu toe helemaal niet op deze voorstellen.
Dan moet de staat Rêber Apo op zijn minst de mogelijkheid bieden om met journalisten, politici en intellectuelen te spreken. Men moet hem de kans geven om zijn standpunten zelf uiteen te zetten, zich tot het Turkse publiek te richten en de mensen uit te leggen waar dit proces om draait. Maar juist dat wordt verhinderd. Enerzijds worden hem deze mogelijkheden ontzegd, anderzijds wordt beweerd dat elke stap in de richting van zijn vrijheid het proces in gevaar zou kunnen brengen en de tegenstanders van een oplossing zou kunnen mobiliseren. Met dergelijke argumenten rechtvaardigt de regering haar passiviteit. Wij vinden deze houding verkeerd. Als de regering daadwerkelijk dergelijke vrees heeft, dan moet zij Rêber Apo zelf aan het woord laten. Hij kan de mensen uitleggen wat dit proces betekent.
Ik ben ervan overtuigd: als de bevolking van Turkije zou weten hoe Rêber Apo dit proces op eigen initiatief en grotendeels in zijn eentje heeft voortgestuwd, als zij zou begrijpen welk nut zijn inspanningen hebben voor de Turkse economie en politiek en hoezeer daardoor ook de maatschappelijke sfeer is ontspannen, dan zouden de mensen zelf zeggen: „Hij heeft zijn vrijheid verdiend.“ Maar de regering onderneemt niets om een dergelijke discussie mogelijk te maken. Juist daarin ligt het probleem.
Politieke gevangenen blijven achter de tralies
Ongeveer twee maanden geleden verklaarden enkele vertegenwoordigers van de AKP in het openbaar dat journalisten in de toekomst ook naar Imrali zouden kunnen reizen om daar gesprekken te voeren. Daar zouden geen bezwaren tegen zijn. Maar tot op heden is er niets gebeurd. De Turkse staat heeft ook deze aankondiging niet nagekomen. Onze mensen zitten nog steeds in de gevangenis. Sommigen zitten al 32 jaar vast en worden nog steeds niet vrijgelaten. Waarom? Omdat men hen verwijt dat ze geen berouw hebben getoond. Maar waarvoor zouden deze mensen berouw moeten tonen? Ze zitten al 32 jaar in de gevangenis.
Laten we het voorbeeld nemen van Hatice Yıldız, een 77-jarige moeder. Ze werd op een brancard naar de gevangenis gebracht. Wat heeft ze gedaan? Ze heeft haar dochter geld gestuurd. Daaruit werd de beschuldiging geconstrueerd dat ze een organisatie financieel zou hebben gesteund. Terwijl ze het geld heel officieel via de post naar haar dochter had overgemaakt. Daarom werd ze opgesloten. Inmiddels is ze ziek, maar men laat haar niet vrij. Hoe kun je zoiets rechtvaardigen? Er is ook een jonge kunstenares genaamd Nûdem. Zij zit eveneens vast en is ziek. Waarom zit zij in de gevangenis? Omdat haar wordt verweten lid te zijn van een organisatie. Maar die organisatie heeft zich inmiddels zelf ontbonden. Toch houdt de staat vast aan dergelijke beschuldigingen. Met deze manier van denken, dit beleid en zijn nog steeds vijandige taal blokkeert de Turkse staat het proces.
Ik kan alleen maar zeggen: we bevinden ons in een uiterst gevoelige fase. We hebben onze stappen ondernomen om het proces vooruit te helpen. Nu is het de beurt aan de andere partij. Met de drie recentste maatregelen wilden we onze goede wil tonen. We hebben onze troepen uit Noord-Koerdistan en hun stellingen teruggetrokken, zodat de Turkse staat inziet dat we niet van plan zijn opnieuw oorlog tegen Turkije te voeren. Ook zijn we begonnen met de terugtrekking van onze heimelijk opererende eenheden. Nu zullen we zien welke stappen de Turkse staat de komende dagen onderneemt.
Het gaat om de Koerdische kwestie, niet om ontwapening
De Turkse staat spreekt in zijn media voortdurend over ontwapening. In Zuid-Koerdistan wordt al enige tijd ook gediscussieerd over een terugtrekking uit het Qendîl-gebergte. Hoe beoordeelt u deze ontwikkelingen?
Nee, zo kun je de zaak niet bekijken. De Turkse staat heeft dit proces aanvankelijk ingezet onder de noemer „Terrorismevrij Turkije“. Hij heeft dus vanaf het begin de term „terrorisme“ centraal gesteld. Aanvankelijk kon men nog aannemen dat de regering daarmee vooral haar eigen aanhang wilde aanspreken en politiek op het proces wilde voorbereiden. Maar in wezen gaat het om de Koerdische kwestie. Dat weet inmiddels iedereen.
Enerzijds spreekt de regering van een „terrorismevrij Turkije”, anderzijds van maatschappelijke vrede. Zelfs in de naam van de parlementaire commissie komen dergelijke begrippen voor. Er werd gesproken over broederschap tussen het Koerdische en het Turkse volk. Recep Tayyip Erdoğan betrok uiteindelijk ook de Arabische bevolking erbij en sprak van een bondgenootschap tussen Koerden, Turken en Arabieren. Daarmee erkent de regering zelf dat het om een maatschappelijke en politieke kwestie gaat, niet om een militair probleem of een kwestie van terrorisme. Toch houdt zij vast aan de benaming „terrorismevrij Turkije“. Deze terminologie is onjuist.
We hadden verwacht dat deze in de loop van het proces zou worden gecorrigeerd. Inmiddels zijn we echter in een fase beland waarin concrete stappen en wettelijke regelingen nodig zijn. Uiterlijk nu zou deze benaming moeten worden losgelaten. Maar de Turkse staat houdt eraan vast. Het gaat hier niet om terrorisme en ook niet simpelweg om het neerleggen van wapens. Het gaat om de Koerdische kwestie. Al 220 jaar bestaat dit conflict tussen de Koerden en de respectieve staatsstructuren – aanvankelijk het Ottomaanse Rijk en later de Republiek Turkije. De cruciale vraag luidt daarom: willen jullie dit probleem oplossen of niet?
De beloften aan het begin van het proces
Ik heb er al eerder op gewezen dat de essentiële kenmerken van een proces zich vaak al aan het begin ervan openbaren. De eerste stappen zijn van fundamenteel belang in elke politieke ontwikkeling. Ook dit proces begon met een oproep van Devlet Bahçeli en vervolgens met de oproep van Rêber Apo. Beide bevatten in wezen een perspectief op een oplossing. Devlet Bahçeli had geëist dat Rêber Apo zijn partij zou ontbinden, de gewapende conflicten zou beëindigen en vervolgens naar het parlement zou komen om te spreken tijdens een fractievergadering van de DEM-partij. Tegelijkertijd stelde hij in het vooruitzicht dat voor Rêber Apo de weg naar het recht op hoop zou kunnen worden geopend.
Heeft de Turkse staat hier iets van uitgevoerd? Nee. Heeft hij Rêber Apo in staat gesteld om in het parlement te spreken? Nee. Heeft hij hem het recht op hoop toegekend? Ook niet. Al twaalf jaar lang zijn er op Europees niveau besluiten die van Turkije eisen dat het Rêber Apo een reëel vooruitzicht op vrijlating biedt. Maar de Turkse staat blijft hem dit recht ontzeggen. Zowel in de uitspraken van Bahçeli destijds als in de oproep van Rêber Apo zat een perspectief op een politieke oplossing vervat. Rêber Apo liet de door ons zeer gewaardeerde revolutionair Sırrı Süreyya Önder uitdrukkelijk de volgende woorden dicteren: „Daarvoor moeten juridische mogelijkheden worden gecreëerd en wettelijke stappen worden ondernomen. Dat is cruciaal.“
Dat was het uitgangspunt. Inmiddels zijn er bijna twee jaar verstreken, maar we hebben de destijds geformuleerde doelstellingen nog steeds niet bereikt. De verklaringen aan het begin van het proces waren veelomvattend, maar de daadwerkelijk genomen maatregelen blijven daar ver achter. Daarom verloopt het proces uiterst traag en grotendeels eenzijdig. Zo kan het niet doorgaan. Wat nu de discussie over een terugtrekking uit Qendîl betreft: Qendîl is voor alle Koerden een heilige plek. In de loop van de geschiedenis is deze regio keer op keer een bolwerk van verzet geweest. Het maakt deel uit van het Zagrosgebergte. Zelfs als de guerrilla zich daaruit zou terugtrekken, zullen de patriottische mensen die daar wonen, blijven. Qendîl zal niet aan zijn lot worden overgelaten. De regio zal ook in de toekomst door Koerden worden beschermd, en we hopen dat dit altijd zo zal blijven.
Qendîl zal een plaats van verzet blijven
Niemand hoeft zich daarom zorgen te maken en zich af te vragen wat er van Qendîl zal worden. Qendîl zal Qendîl blijven. Het zal altijd een plaats van vrije Koerden en een plaats van verzet zijn. Bij deze gelegenheid wil ik de gehele bevolking van Qendîl met groot respect groeten – vrouwen en mannen, jong en oud. Het zijn zeer patriottische mensen die al vele jaren samen met onze kameraden in deze regio leven. We hebben veel aan hen te danken. Niet alleen de hoge bergen van Qendîl zijn bolwerken van verzet. Ook de samenleving daar wordt gekenmerkt door een uitgesproken patriottische en verzetsgezinde houding. Aan hen allen richt ik mijn hartelijke groeten. Leve Qendîl, leve de bevolking van Qendîl! Zelf ben ik er al lang niet meer geweest. Ongeveer twaalf jaar geleden had ik echter veel contact met de bevolking en leerde ik talrijke mensen persoonlijk kennen. Het is werkelijk een opmerkelijke en waardevolle gemeenschap.
Wat het verdere verloop van het politieke proces betreft, is er op dit moment nog veel onzeker. De bal ligt bij de Turkse staat, en wij wachten af. Met onze drie meest recente stappen hebben we de verantwoordelijkheid ondubbelzinnig aan de Turkse kant gelegd. Nu zullen we zien hoe zij hiermee omgaat. De staat moet wettelijke voorwaarden scheppen zodat Rêber Apo zijn politieke rol daadwerkelijk kan vervullen. Laten we bijvoorbeeld de aangenomen wet nemen. Daarin wordt ons in wezen gezegd: „Kom en leg jullie wapens neer.“ Goed, maar wat gebeurt er daarna met de guerrillastrijders? Wat moeten de mensen doen nadat ze hun wapens hebben neergelegd? Ze moeten de mogelijkheid krijgen om politiek actief te zijn.
Ons volk moet één ding weten: we hebben de strijd niet opgegeven. We zijn ervan overtuigd dat we onze doelen kunnen bereiken met democratische politieke middelen. Daarom passen we onze aanpak aan. We stappen over van de gewapende strijd naar de democratische politiek. Elk van onze kaders maakt tegelijkertijd deel uit van de guerrilla, en elk lid van de guerrilla is ook een politiek kader. Morgen zullen deze mensen terugkeren naar Amed of Mêrdîn. Ooit zijn ze daar met wapens vertrokken en nu zullen ze zonder wapens terugkeren. Na hun terugkeer moeten ze de mogelijkheid hebben om onder de bevolking te werken – in de dorpen, wijken en steden. Ze moeten wetenschappelijke, organisatorische en politieke activiteiten kunnen ontplooien, uiteraard zonder wapens.
Maar eerst moeten we weten of de nodige voorwaarden überhaupt worden geschapen. Zullen de wettelijke mogelijkheden daarvoor er zijn of niet? Wordt de benodigde wet aangenomen of niet? Zowel voor Rêber Apo als voor de terugkeer van de guerrillastrijders moet het wettelijke kader dienovereenkomstig worden aangevuld. Als deze voorwaarden worden geschapen, kan het proces vooruitgang boeken.
Rojava: De verworvenheden van de revolutie staan op het spel
In Rojava is een integratieproces op gang gekomen. De Syrische regering weigert echter de Koerdische taal te erkennen en probeert een centralistisch, op uniformiteit gericht systeem op te leggen. Tegelijkertijd lijkt zij een conflict tussen Arabieren en Koerden te willen uitlokken. Heeft de Turkse staat hier een vinger in de pap?
De overeenkomst van 29 januari tussen de SDF en de Syrische regering schept een bepaald kader dat de verworvenheden van de revolutie van Rojava en van ons volk ten minste gedeeltelijk beschermt. Er zijn echter blijkbaar krachten binnen het nieuwe Syrische staatssysteem die dit kader niet willen accepteren.
Toen het akkoord werd gesloten, woedde er een oorlog. Deze oorlog werd gestuurd door internationale machten. Destijds werd op hoger niveau besloten om de gevechten te beëindigen en tot een akkoord te komen. Maar bepaalde krachten waren het niet eens met deze beslissing. Zij proberen nu het akkoord stap voor stap te ondermijnen. Daarbij richten zij zich met name op Hesekê en Kobanê. In deze gebieden is Koerdisch al twaalf jaar de officiële onderwijstaal, van de basisschool tot aan de universiteit. Nu wordt geëist dat dit onderwijs wordt stopgezet en dat in plaats daarvan Arabisch als onderwijstaal wordt ingevoerd. Dit betekent dat een van de fundamentele verworvenheden van de revolutie van Rojava ter discussie wordt gesteld. Tegelijkertijd is het een minachting voor al die mensen die hun leven hebben gegeven voor deze verworvenheden. Een dergelijk beleid is noch juist, noch verdedigbaar.
Het idee om een hele samenleving één enkele taal op te leggen en alle mensen in één uniform maatschappelijk model te persen, sluit aan bij de nationalistische denkwijze van het Baath-regime. In Syrië wonen Koerden, Arabieren, christenen, Armeniërs, Suryoye, Druzen en Alawieten. Er zijn talrijke volkeren en geloofsgemeenschappen. Maar deze krachten willen ze allemaal aan één enkel patroon onderwerpen. Hebben zij zichzelf niet als islamitische regering bestempeld? In de islam bestaat er geen verbod op talen. God heeft de verschillende gemeenschappen hun talen gegeven. Met welk recht verbieden jullie dan een taal die God aan de mensen heeft gegeven?
De democratische natie als politiek alternatief
Hieruit blijkt dat er hier geen oprecht en rechtvaardig beleid wordt gevoerd. Aan Rojava worden bepaalde ideeën opgelegd. Ook de gebeurtenissen die we de afgelopen dagen op televisie in Hesekê hebben gevolgd, maken deel uit van een doelgericht politiek plan. Sommigen hebben deze gebeurtenissen als een provocatie bestempeld. Dat klopt. Maar het gaat hier niet om een op zichzelf staande provocatie, maar om een breder politiek project. De revolutie van Rojava heeft het perspectief van de democratische natie ontwikkeld. Op basis hiervan kunnen de Koerden in Syrië uitgroeien tot een toonaangevende politieke kracht. Als zij zich aansluiten bij die Arabische krachten die eveneens geloven in het concept van de democratische natie, kunnen zij gezamenlijk in heel Syrië aanzienlijke politieke invloed uitoefenen.
Dat is precies waar bepaalde politieke krachten en staten bang voor zijn. Ze vrezen het door Rêber Apo ontwikkelde perspectief van de democratische natie. We weten welke staten in deze kwestie welke beslissingen hebben genomen. Al vier of vijf jaar geleden werd de instructie gegeven: „Laat al het andere terzijde en concentreer je op het beleid van de democratische natie.” Men wilde dus doelgericht tegen dit politieke concept optreden. Helaas nemen ook bepaalde Koerdische kringen, die zichzelf als nationalistisch bestempelen, een soortgelijk standpunt in. Hun politieke horizon is zeer beperkt. Ze willen de Koerden isoleren van de andere maatschappelijke krachten. Maar als de Koerden in Rojava worden geïsoleerd, zullen ze zich zelfs in Qamişlo niet kunnen handhaven. Een dergelijk beleid berust op een fundamentele misvatting.
Juist vanuit het perspectief van de democratische natie kunnen de Koerden een belangrijke politieke speler in Syrië worden en een beslissende rol spelen bij de democratisering van het land. Daarom beschouwen wij deze aanpak als de juiste politieke weg. Met de recente gebeurtenissen in Hesekê wordt juist dit beleid in diskrediet gebracht. Ook eerder hadden bepaalde Koerdisch-nationalistische kringen al geprobeerd het concept van de democratische natie te ondermijnen. Nu komen er mensen, die zich bijvoorbeeld in Raqqa en asj-Schaddadi hebben georganiseerd, naar Hesekê en organiseren daar demonstraties om de verschillende bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten.
„Turkije moet Rojava met rust laten“
Hun doel is om het idee van vreedzaam samenleven tussen de volkeren en het perspectief van de democratische natie te vernietigen. Ze willen een conflict tussen de bevolkingsgroepen aanwakkeren en zo de Koerden isoleren. Daarachter schuilt een bewust beleid, een gericht project. Ik wil niet in detail ingaan op welke krachten hierbij betrokken zijn. Maar één ding moet ik duidelijk zeggen: de Turkse staat verklaart dat hij de broederschap tussen het Koerdische en het Turkse volk wil versterken. Zij spreekt zelfs over het ontwikkelen van broederschap tussen Koerden, Turken en Arabieren. Als de Turkse staat deze woorden serieus meent en daadwerkelijk een vredesproces met ons wil bevorderen, moet zij allereerst haar vijandige houding ten opzichte van de Koerden buiten de Turkse staatsgrenzen opgeven. Dat is de eerste voorwaarde.
De tweede is: de Turkse staat moet de Koerden in Rojava met rust laten. Ik herhaal het nadrukkelijk: Turkije moet de Koerden in Rojava met rust laten. Wat zouden de Koerden die daar wonen Turkije dan kunnen afnemen? Meer wil ik hierover niet zeggen. Ook richt ik een oproep tot de Syrische president: als u daadwerkelijk de politieke autoriteit in uw land bezit, dan moet u die autoriteit ook uitoefenen. U mag niet toestaan dat op het grondgebied van Syrië verschillende politieke projecten door andere krachten worden nagestreefd. Als u samen met de Koerden de eenheid van Syrië wilt herstellen, mag u dergelijke provocaties geen ruimte geven.
Wij roepen daarom alle betrokkenen op zich bewust te worden van hun verantwoordelijkheid. Niemand mag toewerken naar vijandschap, racisme of bloedbaden. In plaats daarvan moeten allen zich inzetten voor vrede en broederschap tussen de volkeren. Wij verwerpen racisme resoluut. Het is echter duidelijk dat er in Syrië een gevaarlijk politiek project wordt nagestreefd dat de eenheid van het land zou kunnen vernietigen. Hierbij zijn verschillende krachten betrokken, niet alleen Turkse en Arabische actoren. Wie dit project aanstuurt, handelt in ieder geval niet in het belang van de volkeren van Syrië. Wie werkelijk vriendschappelijk verbonden is met de volkeren van Syrië, moet hun eenheid en de vrede tussen hen beschermen.
Zelforganisatie als voorwaarde voor de bescherming van Rojava
Ik ben ervan overtuigd dat ons volk in Rojava over de nodige ervaring beschikt. Allereerst wil ik de patriottische bevolking van Rojava met groot respect begroeten. Juist door de recente ontwikkelingen heeft zij waardevolle ervaringen opgedaan. Het is nu van belang dat de mensen zich overal organiseren en hun verdediging zelf in handen nemen. Ook onder de Arabieren zijn er mensen die vriendschappelijke banden hebben met de Koerden. Ook zij worden aangevallen. De krachten die deze conflicten aanwakkeren, richten zich eveneens tegen die Arabieren die aan de zijde van de Koerden staan. We kennen veel Arabische kameraden en vrienden die zich inzetten voor een democratisch, vrij en gelijkwaardig Syrië. Ook zij moeten zich organiseren, zichzelf beschermen en vertrouwen ontwikkelen in hun eigen krachten.
Als alle bevolkingsgroepen die geloven in het perspectief van een democratische natie, zich verenigen en organiseren, kunnen ze hun veiligheid waarborgen en ook politiek succes boeken. Ze beschikken over het nodige bewustzijn, over maatschappelijke fundamenten en over ervaring, zowel op het gebied van organisatie als van zelfverdediging. Ze moeten vertrouwen hebben in hun eigen capaciteiten, hun maatschappelijke structuren versterken en overal in staat zijn zichzelf te verdedigen. Nergens mogen ze ongeorganiseerd blijven. Koerden, Arabieren, Suryoye, christenen en Armeniërs moeten de krachten bundelen. Syrië moet een democratisch en welvarend land worden waarin alle volkeren samen kunnen leven. Dat zeg ik zowel tegen onze bevolking als tegen de verantwoordelijken van het zelfbestuur.
Rojava bevindt zich inderdaad in een uiterst gevoelige fase. Er zijn twee mogelijke ontwikkelingen. Ofwel organiseert de samenleving zich op deze basis, verdedigt de verworvenheden die in het akkoord van 29 januari zijn vastgelegd, doet geen concessies en wijkt niet terug. Dan kan de maatschappelijke strijd zelfs naar een hoger niveau worden getild. Ofwel geeft zij haar onafhankelijke houding op. Dan zullen de aanvallen en de druk op haar steeds verder toenemen. Ik geloof niet dat ons volk deze tweede weg zal inslaan. Ook de organisaties daar en hun leiders mogen dat niet toestaan. Ze moeten hun verantwoordelijkheid nemen, vastberaden en moedig handelen en het maatschappelijk leiderschap op zich nemen. Ze moeten in staat zijn om de verworvenheden van ons volk te verdedigen, die met het bloed van zoveel gesneuvelden zijn bevochten.
„We hebben een gezamenlijke Koerdische strategie nodig“
Welke gevolgen heeft het proces voor Zuid-Koerdistan? Hoe staan de bevolking en de politieke partijen hier tegenover? Tegelijkertijd heerst er in Zuid-Koerdistan werkloosheid, hebben de mensen het vertrouwen in de regeringspartijen verloren en levert ook de veiligheidssituatie problemen op. Hoe beoordeelt u deze situatie?
Allereerst wil ik de gehele bevolking van Zuid-Koerdistan hartelijk en met groot respect begroeten. Van alle volkeren in Koerdistan heeft de bevolking van Zuid-Koerdistan in de recente geschiedenis bijzonder zwaar leed ondergaan. Zij werd blootgesteld aan bloedbaden en genocide, heeft de Anfal-genocide en het bloedbad van Halabja meegemaakt en heeft in het verzet enorme offers gebracht en grote moed getoond.
Vandaag de dag kan Zuid-Koerdistan bogen op belangrijke verworvenheden. Ook de andere delen van Koerdistan, met name Noord- en Oost-Koerdistan, hebben hieraan bijgedragen. De hoofdlast van de strijd werd uiteraard gedragen door de bevolking van Zuid-Koerdistan zelf. Maar ook de andere delen hebben hen gesteund en er door hun eigen strijd toe bijgedragen dat Zuid-Koerdistan zijn huidige politieke status heeft kunnen verwerven. Ik ben ervan overtuigd dat deze status zonder de strijd in Noord-Koerdistan niet zou zijn bereikt. De intensivering van het verzet in het noorden in de jaren 1990 en 1991 creëerde ook voor Zuid-Koerdistan nieuwe politieke mogelijkheden. Toch waren het vooral de mensen van Zuid-Koerdistan die hiervoor hebben gestreden en duizenden, ja honderdduizenden gesneuvelden te betreuren hadden.
Vandaag de dag bestaan deze verworvenheden, en ze moeten worden beschermd. Zoals ik al zei, zien we momenteel dat de Koerden in de regionale politiek steeds meer naar de achtergrond worden gedrongen. Dat de QSD in Syrië geen doorslaggevende rol werd toebedeeld, was eigenlijk een waarschuwingssignaal voor alle Koerden. Bij de herordening van het Midden-Oosten lijkt men opnieuw terug te willen grijpen op de politieke orde van Lausanne. Het gaat in zekere zin om een tweede Lausanne. De Koerden zouden daarbij noch een bepalende, noch een vooraanstaande rol moeten krijgen. Daar wijzen op dit moment in ieder geval veel signalen op.
Natuurlijk kunnen en moeten we kritiek uiten op de dominante machten die een dergelijk beleid voeren. Wat er gebeurt, is onrechtvaardig en verkeerd. Maar tegelijkertijd moeten we zelfkritisch onze eigen verantwoordelijkheid onder ogen zien. Want voor onze huidige zwakte dragen wij Koerden zelf de verantwoordelijkheid – om precies te zijn: ons eigen beleid. Zolang de Koerdische politieke krachten zo versnipperd zijn en elke organisatie uitsluitend volgens haar eigen ideeën handelt, zullen andere machten ons niet serieus nemen. Daar zijn wij zelf verantwoordelijk voor. In deze historische fase, waarin oorlogen worden gevoerd en de politieke verhoudingen in het Midden-Oosten opnieuw worden ingedeeld, hebben we absoluut een gezamenlijke strategie nodig. Maar juist daar ontbreekt het ons aan.
Vandaag de dag kunnen de regionale en internationale machten de Koerden tegen elkaar uitspelen. Waarom? Omdat Koerdische vertegenwoordigers, waar ze ook heen gaan, over elkaar praten en elkaar bekritiseren. Dat is voor ons allemaal een schande. Zo mag het niet doorgaan. De situatie is inmiddels uiterst gespannen. Daarom moeten we al het nodige doen om de verworvenheden die met het bloed van onze gesneuvelden zijn bevochten in alle vier de delen van Koerdistan te beschermen en de Koerden, als een van de oudste volkeren van deze regio, een vrij leven mogelijk te maken. Niemand mag daarbij de belangen van zijn eigen organisatie boven alles stellen. De nationale belangen moeten voorrang hebben. Dat zeggen we steeds weer, maar in de praktijk handelen we daar niet naar. Dat is de waarheid.
Democratische nationale eenheid in plaats van politieke versnippering
Daarom is onze huidige positie niet bepaald rooskleurig. Niemand weet wat er morgen zal gebeuren. Zoals reeds vermeld, moesten we na de oorlog in Rojava vaststellen dat ook de Koerden van Oost-Koerdistan politiek naar de achtergrond werden gedrongen. Dit gevaar bestaat eveneens voor Zuid-Koerdistan. De Amerikaanse troepen hebben zich teruggetrokken, ook de luchtverdediging is weggehaald. De Koerden moeten daarom in staat zijn zichzelf te verdedigen. Ik zeg het nogmaals: wij Koerden moeten het eens worden over een gezamenlijke strategie. Het tot stand brengen van een alomvattende nationale eenheid is zeker moeilijk. Het hoeft ook niet te betekenen dat we het over alle kwesties volledig eens worden. Rêber Apo spreekt van een „democratische nationale eenheid“.
Ik versta daaronder het volgende: we hoeven niet alle standpunten van de andere partij over te nemen. Maar we moeten bereid zijn om bepaalde standpunten van elkaar te erkennen. We kunnen bijvoorbeeld overeenstemming bereiken over een gezamenlijke strategie, ook al hebben we op andere punten verschillende opvattingen. Het is van cruciaal belang dat we een gemeenschappelijke politieke basis en een gemeenschappelijke strategische koers ontwikkelen. Binnen dit kader kunnen de afzonderlijke krachten zelfstandig blijven handelen. We hebben dus een democratische nationale eenheid nodig op basis van een gemeenschappelijke strategie. Als ons dat niet lukt, zullen de Koerden in de huidige fase nauwelijks iets kunnen bereiken. Integendeel: we zullen steeds verder teruggedrongen worden. Want de dominante machten willen ons slechts een ondergeschikte rol toekennen.
Iedereen hoort wat Tom Barrack zegt. Daar hoef ik eigenlijk niets meer aan toe te voegen. Ik heb zelf niet met hem gesproken, maar talrijke andere mensen wel. Het huidige beleid in het Midden-Oosten volgt een duidelijke lijn: de centralistische staatssystemen moeten worden versterkt. Daarop zijn de politieke inspanningen gericht. De Koerden worden daarbij niet beschouwd als zelfstandige, invloedrijke actoren. We moeten deze realiteit eindelijk onder ogen zien en daaruit de consequentie trekken dat we een gezamenlijke strategie moeten ontwikkelen. Rêber Apo zegt dat er een „gemeenschappelijk Koerdisch bewustzijn“ moet zijn. Als ons dat lukt, ben ik ervan overtuigd dat de Koerden zichzelf kunnen beschermen, zelfstandig beleid kunnen voeren en een belangrijke speler in de regio kunnen worden. De mogelijkheden daarvoor zijn er nog steeds. Er is zeker nog niet alles verloren. Ja, we hebben al veel tijd verloren, maar nog is niet alles verkeken.
Vertrouwen op de eigen krachten
Ik wil hier nog iets aan toevoegen: de Koerden kunnen hun eigen techniek, hun eigen technologie en ook hun eigen vaardigheden op het gebied van kunstmatige intelligentie ontwikkelen. Waarom zou dat niet mogelijk zijn? Op al deze gebieden kunnen we vooruitgang boeken. Nu wordt bijvoorbeeld gezegd dat Zuid-Koerdistan geen luchtverdedigingssysteem meer heeft. Maar de Koerden kunnen heel goed hun eigen verdedigingssystemen ontwikkelen. In de wereld van vandaag moet je vertrouwen op je eigen zelfverdedigingskrachten. Als je vertrouwt op je eigen verdedigingsvermogen, jezelf versterkt en organiseert, zullen ook anderen je als een serieuze kracht beschouwen. Als je jezelf daarentegen versplintert, verzwakt en niet organiseert, zal niemand je serieus nemen. Dan zal niemand je zelfs maar de hand reiken.
Als je als zelfstandige politieke wil erkend wilt worden, moet je die wil eerst zelf ontwikkelen en binnen je eigen samenleving tot uiting brengen. Pas dan zullen ook anderen die erkennen. Als je zelf iets tot stand brengt, politiek ontwikkelt, maatschappelijke structuren opbouwt en je technische en organisatorische vaardigheden versterkt, zullen anderen je opmerken en politieke mogelijkheden voor je openen. Niemand zal uit zichzelf op je afkomen en zeggen: „Kom, we maken plaats voor je.“ Maar als je zelf het voortouw neemt, zullen anderen uiteindelijk zeggen: „De weg ligt voor je open.“ Dat is de realiteit.
We hebben al vele malen opgeroepen tot eenheid, en we doen dat opnieuw. Ook Rêber Apo richt steeds weer dergelijke oproepen tot de Koerdische politieke krachten. Mijn woorden moeten eveneens als een dergelijke oproep worden opgevat. Ik richt mij tot alle gewaardeerde Koerdische politici. Ik ben ervan overtuigd dat zij deze realiteit onderkennen. Maar we moeten eindelijk onze oude gewoonten achter ons laten. We leven in een nieuw tijdperk. Daarom moeten we de krachten bundelen en gezamenlijk optreden.
De regeringsvorming in Zuid-Koerdistan mag niet langer geblokkeerd blijven
Laten we Zuid-Koerdistan als voorbeeld nemen: het is onaanvaardbaar dat het daar al twee jaar niet lukt om een regering te vormen. Ik wil geen al te harde woorden gebruiken, maar dit is een ernstige tekortkoming die absoluut moet worden verholpen. Tussen de staten van de wereld vinden oorlogen plaats met wereldwijde gevolgen. Toch gaan ze met elkaar om de tafel zitten, onderhandelen ze en bereiken ze overeenkomsten over bepaalde kwesties. Waarom zouden juist de Koerden niet in staat zijn om onderling tot overeenstemming te komen?
Vroeger gold Bosnië-Herzegovina als een bijna onoplosbaar probleem. Jarenlang kon er geen oplossing worden gevonden. Als een politieke kwestie bijzonder vastgelopen was, zei men zelfs: „Dat is inmiddels net als de kwestie van Bosnië-Herzegovina.” Maar zelfs voor dit probleem werd uiteindelijk een oplossing gevonden. De Koerdische kwestie daarentegen is als een open, niet-genezende wond gebleven. En waaruit bestaat deze wond binnen de Koerdische politiek? Uit het feit dat we geen eenheid kunnen tot stand brengen. Voor deze wond is er een remedie: een gezamenlijke strategie. Wat Zuid-Koerdistan betreft, zijn we bereid alles te doen wat in onze macht ligt om de regeringsvorming mogelijk te maken en de politieke krachten dichter bij elkaar te brengen. Wij hopen oprecht en met alle ernst dat de Koerdische krachten hun onderlinge relaties verbeteren en tot een gezamenlijk standpunt komen.
Vroeger waren er misschien wel angsten, omdat we met bepaalde krachten gewapende conflicten voerden. Maar die oorlog bestaat vandaag de dag niet meer, in ieder geval niet meer op een vergelijkbare schaal. Het is nu van cruciaal belang dat we naar elkaar luisteren, in plaats van ons voortdurend op anderen te richten. We moeten luisteren naar het Koerdische verstand en niet naar de ideeën die ons van buitenaf worden opgelegd. Als ons dat lukt, kunnen we onze problemen zeker oplossen. Daarom richten we de volgende oproep aan iedereen: kom samen, laten we het eens worden over een gezamenlijke strategie en laten we onze problemen oplossen.
Şengal: zelfverdediging als voorwaarde voor veiligheid
Hoe beoordeelt u het integratieproces in Şengal? Abdullah Öcalan heeft verklaard dat de verdediging in de bevolking zelf verankerd moet zijn. Hoe beoordeelt u deze benadering?
De Yezidische gemeenschap behoort tot de zwaarst onderdrukte en vervolgde gemeenschappen in de regio. Bijna geen enkele andere bevolkingsgroep is aan zoveel aanvallen blootgesteld geweest. De Yezidi’s hebben in de loop van hun geschiedenis 74 ‘ferman’s’ meegemaakt, dat wil zeggen vervolgings- en uitroeiingscampagnes. Het is geenszins uitgesloten dat er morgen weer een ‘ferman’ plaatsvindt. Daarom heeft de Yezidische bevolking eigen zelfverdedigingstroepen nodig. Daar zijn wij van overtuigd.
Toen we hoorden dat IS Şengal was binnengevallen, besloten we binnen enkele minuten in te grijpen. We waren ons ervan bewust dat zo’n interventie allesbehalve eenvoudig zou zijn. In die tijd vluchtte iedereen voor IS. Zelfs staten waren bang voor IS. Wij besloten echter de strijd tegen IS aan te gaan. Waarom? Omdat Rêper Apo onze verantwoordelijkheid duidelijk had geformuleerd: de bescherming van de yezidische bevolking is van fundamenteel belang voor onze beweging. Het is een morele en menselijke plicht. Bovendien reiken de wortels van de Koerdische natie terug tot het yezidisme. Ook daarom moeten we deze gemeenschap beschermen.
Alle Koerden moeten dit historische en maatschappelijke belang inzien. Maar ook de Iraakse staat moet zich bewust worden van deze realiteit. De yezidische gemeenschap is herhaaldelijk blootgesteld aan aanvallen en genocide. Juist daarom moet zij over eigen zelfverdedigingsmachten beschikken. Vandaag de dag is er in Şengal de YBŞ. Deze verdedigingsmacht is tijdens de oorlog ontstaan en heeft haar capaciteiten bewezen. Wij hebben destijds geholpen bij de opbouw ervan. Dat is geen geheim. Vanaf het begin waren we ervan overtuigd dat de Yezidische bevolking beschermd moest worden. Tegelijkertijd wisten we dat we niet blijvend zelf voor hun verdediging konden zorgen. De Yezidi’s kunnen zichzelf echter wel beschermen. Daarom hebben we hen gesteund. Onze rol bestond erin hen te helpen bij het opbouwen van eigen verdedigingsstructuren.
Autonome YBŞ binnen het Iraakse leger
Vandaag de dag beschikken ze over de YBŞ en de YJŞ. Deze strijdkrachten zijn in staat hun bevolking te verdedigen. De Iraakse staat moet hen daarom een officiële status toekennen. Şengal heeft behoefte aan een zelfstandige, lokaal verankerde verdedigingsmacht. Dat is een recht van de yezidische bevolking. Ook de Iraakse wetgeving biedt volop mogelijkheden voor dergelijke regelingen. Alle Koerdische krachten moeten deze noodzaak erkennen: zowel de Koerdische vrijheidsbeweging als de KDP, de PUK en de overige politieke krachten in Zuid-Koerdistan. Şengal maakt immers deel uit van Zuid-Koerdistan. Maar ook de Iraakse staat moet rekening houden met deze bijzondere situatie.
Als een zelfstandige Yezidische verdedigingsmacht officieel wordt erkend, gaat het daarbij om veel meer dan alleen een militaire structuur. Een dergelijke erkenning betekent tegelijkertijd hoop op een veilig leven. De Yezidische gemeenschap heeft een macht nodig waarop zij kan vertrouwen en die haar veiligheid en perspectief voor de toekomst biedt. Deze macht mag niet uitsluitend een militaire functie vervullen. Zij moet tegelijkertijd een maatschappelijk ankerpunt zijn waar mensen zich omheen kunnen scharen – als het ware een levensboom die de gemeenschap houvast biedt. Dat is onze visie. Wat de huidige gesprekken over integratie betreft, kennen ook wij nog niet alle details. We hebben echter zowel via de media als via andere kanalen vernomen dat er onderhandelingen hebben plaatsgevonden tussen de Iraakse regering en de YBŞ- en YJŞ-troepen.
Volgens onze informatie gaat het hierbij om een democratische integratie. Wat houdt dat concreet in? De YBŞ zouden het overkoepelende bevel van het Iraakse leger erkennen. In ruil daarvoor zou de Iraakse staat de autonomie van de YBŞ binnen hun eigen operatiegebied erkennen. We hebben vernomen dat er op deze basis vooruitgang is geboekt, maar dat er nog geen overeenkomst is ondertekend. Hierdoor zou de YBŞ een zelfstandig, autonoom onderdeel van het Iraakse leger kunnen worden, dat in Şengal verankerd blijft. Als een dergelijke integratie tot stand komt, zou dat een positieve ontwikkeling zijn. Wij steunen deze aanpak en zijn bereid onze bijdrage te leveren, mocht dat nodig zijn.
Wie op buitenlandse machten vertrouwt, kan zichzelf niet verdedigen
De internationale coalitie heeft haar troepen uit Rojava en Zuid-Koerdistan teruggetrokken. Er wordt gezegd dat hierdoor met name in Zuid-Koerdistan een veiligheidsvacuüm is ontstaan. Welke gezamenlijke Koerdische strategie is er nodig om alle vier de delen van Koerdistan te kunnen verdedigen? Zijn de Koerden na de terugtrekking van de internationale coalitie werkelijk zo weerloos? Zijn er krachten en een politieke wil die hun verdediging kunnen waarborgen als de coalitie zich volledig terugtrekt?
Naar mijn mening kan een defensiemacht die steunt op buitenlandse mogendheden geen echte defensiemacht zijn. Zo’n verdediging biedt immers geen betrouwbare veiligheid. Elke macht moet bij haar verdediging steunen op haar eigen capaciteiten. Alleen dat is een echte verdediging. Zich afhankelijk maken van buitenlandse mogendheden is geen oplossing. In ons tijdperk van de kapitalistische moderniteit bestaan er geen blijvende vriendschappen en geen standvastige allianties. Er zijn vooral belangen. Zolang twee partijen gemeenschappelijke belangen hebben, beschouwen ze elkaar als vrienden. Zodra deze belangen uiteenlopen, eindigt ook de vriendschap. Volgens deze logica functioneert de wereld van vandaag. Ik wil hier een voorbeeld van geven.
In 2003 bereidden de VS zich voor op hun interventie in Irak. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de Amerikaanse troepen via Koerdistan Irak zouden binnenvallen. Maar Turkije dwarsboomde dit plan. Destijds bezocht ik de inmiddels overleden en door ons zeer gewaardeerde Celal Talabanî. Ik zei tegen hem: „Mam Celal, we vrezen dat de Amerikanen bij hun invasie ook de guerrilla in het vizier zouden kunnen nemen. We weten niet hoe ze zich zullen gedragen. Jullie moeten ervoor zorgen dat ze ons niet aanvallen.“
Mam Celal antwoordde: „Ik zal jullie belangen behartigen tegenover de Amerikanen.“ Hij noemde de naam van een Amerikaanse generaal en stelde voor dat ik hem een brief zou schrijven. Hij zou er zelf voor zorgen dat de generaal die brief zou ontvangen. Toen zei hij iets dat me tot op de dag van vandaag is bijgebleven: „De guerrilla moet worden beschermd. Misschien zullen we op een dag oorlog moeten voeren tegen de Arabieren. Dan zal de guerrilla ons te hulp schieten.“
Toen de guerrilla Zuid-Koerdistan verdedigde tegen IS
Dat zei Mam Celal in 2003. Elf jaar later, in 2014, rukte de guerrilla op naar Kerkûk, trok naar Hewlêr, van daaruit naar Mexmûr en verder naar Şengal. Van Kerkûk tot Efrîn vormde zij een verdedigingsfront tegen de aanvallen van IS. Is dat gebeurd? Ja, dat is precies wat er is gebeurd.
In 2017 bezocht ik Mam Celal opnieuw. Hij was toen al ernstig ziek en kon niet meer praten. Ik herinnerde hem aan ons gesprek uit 2003 en zei: „Mam Celal, weet je nog dat ik toen bij je op bezoek kwam en dat je die woorden tegen me zei?“ Hij knikte bevestigend. Daarop zei ik: „Kijk eens, de guerrilla is nu in Kerkûk.“ Destijds waren onze troepen daar nog aanwezig. „De geschiedenis heeft je woorden bevestigd. De guerrilla is jullie inderdaad te hulp gekomen.“
Hoewel hij ernstig ziek was, was hij daar erg blij mee en knikte opnieuw instemmend. Mam Celal was een man met een vooruitziende blik. Hij had deze ontwikkeling toen al voorzien.
Ook vandaag zijn we bereid alles te doen wat in onze macht ligt om ons volk te beschermen. Er zijn echter mensen met slechte bedoelingen die vroeger beweerden: „Waar de PKK eenmaal naartoe gaat, trekt ze zich nooit meer terug. Waar ze haar spade in de grond steekt, verklaart ze het gebied tot haar standplaats. Als ze naar Şengal gaat, zal ze Şengal nooit meer verlaten. Als ze naar Mexmûr gaat, blijft ze daar. En als ze naar Kerkûk gaat, zal ze ook Kerkûk niet meer verlaten.“ Al deze beweringen zijn onjuist gebleken. De geschiedenis heeft degenen die zulke dingen verspreidden, weerlegd.
Vandaag de dag beweren sommigen nog steeds dat de PKK nog steeds aanwezig is in Şengal. Het kan zijn dat er daar nog een paar instructeurs zijn. Maar dat vormt voor ons helemaal geen probleem. Wij zullen nooit een obstakel vormen als het gaat om het regelen van de situatie in deze gebieden of het oplossen van bestaande problemen. Wij hebben slechts onze verantwoordelijkheid genomen voor de verdediging van ons volk. En aan deze verantwoordelijkheid zullen wij ook in de toekomst voldoen.
Wij zijn ervan overtuigd dat er een gezamenlijke nationale verdedigingsmacht moet komen. Tegelijkertijd kunnen we onze verdedigingsmogelijkheden verder ontwikkelen en diverser maken. Zowel in tactisch als in technisch opzicht zijn de Koerden prima in staat om zichzelf te beschermen. Het is van cruciaal belang dat we een gezamenlijke Koerdische politieke visie en een gezamenlijke strategie ontwikkelen. Als ons dat lukt, kunnen we ook de overige voorwaarden scheppen.
Het verloren vertrouwen herstellen
Tot slot wil ik ingaan op een kwestie die mij bijzonder belangrijk lijkt: het vertrouwen. Het vertrouwen tussen de Koerdische krachten heeft aanzienlijk geleden. Dat is in ieder geval mijn indruk. De afgelopen twaalf jaar ben ik zelf niet meer zo intensief betrokken geweest bij gesprekken en politieke betrekkingen tussen de verschillende Koerdische partijen. Ik ken echter al lang alle partijen en blijf de ontwikkelingen volgen. Daarbij valt het me op dat het wederzijdse vertrouwen aanzienlijk is afgenomen. Dat is geen goede ontwikkeling. We moeten dit vertrouwen weer versterken.
Elke partij zou uit eigen beweging stappen moeten ondernemen die het vertrouwen bevorderen. De verschillende krachten moeten elkaar met meer respect tegemoet treden. Natuurlijk moet er kritiek zijn. Niemand zou overgevoelig moeten reageren op kritiek. Maar kritiek mag niet de vorm aannemen van persoonlijke of politieke aanvallen. Er kunnen verschillende opvattingen en fouten zijn. Toch moeten de Koerdische krachten leren elkaar weer te vertrouwen. Dit vertrouwen hebben we dringend nodig.
Een tweede probleem betreft de relatie tussen ons en de Turkse staat. Ook hier heerst een diepgaand gebrek aan vertrouwen. We moeten met de Turkse staat tot overeenstemming komen op basis van wederzijds vertrouwen. Want we hebben niet alleen een einde gemaakt aan de strategie van de gewapende strijd tegen Turkije. We hebben tegelijkertijd onze principiële vijandigheid jegens Turkije opgegeven. We willen geen beleid van vijandschap jegens de Turkse staat meer voeren. We willen een nieuw hoofdstuk in onze betrekkingen met Turkije openen.
Ik zeg dit eveneens met het oog op de Koerdische partijen. De oorlog tussen ons en de Turkse staat moet eindelijk worden beëindigd. Er mogen geen opstanden meer plaatsvinden, noch mag er sprake zijn van een beleid van ontkenning en vernietiging. De Turkse staat moet ophouden het bestaan van de Koerden te ontkennen. Hij mag niet langer streven naar hun vernietiging en ook geen assimilatiebeleid meer voeren. Tegelijkertijd mogen de Koerden niet opnieuw hun toevlucht moeten nemen tot opstand. Er is zoveel jaren lang oorlog gevoerd. Nu moet er een einde komen aan deze oorlog. Hij heeft zijn historische functie vervuld. Vanaf nu moeten dialoog en politiek de plaats ervan innemen.
Rêber Apo heeft dit proces in gang gezet omdat hij overtuigd is van dit perspectief. En ook wij geloven erin. Als Koerdische partij willen we een einde maken aan de vijandschap en de gewapende strijd. Maar de Turkse partij wekt bij ons niet het nodige vertrouwen en onderneemt ook geen passende stappen om dat vertrouwen op te bouwen. Zelfs tijdens de gesprekken wordt steeds weer gezegd: „Als jullie dit doen, zullen wij dat doen.“ Het gaat er toch om een conflict op te lossen dat al honderd jaar bestaat. Daarvoor is een andere aanpak nodig. Er zijn gebaren en maatregelen nodig die vertrouwen wekken.
Jullie zijn een staat. Dan moeten jullie ook de verantwoordelijkheid nemen om vertrouwen te scheppen. Met vijandige uitspraken en wederzijdse eisen alleen kan zo’n conflict niet worden opgelost. Dat is precies een van de fundamentele problemen tussen ons en de Turkse staat. Het wederzijdse vertrouwen is zwak. En dat gebrek leidt op zijn beurt weer tot angsten en onzekerheid. Als we bijvoorbeeld ergens nog een lid van onze beweging hebben, eist de staat: „Haal die persoon daar weg.“ In ruil daarvoor onderneemt zij echter niets om vertrouwen te wekken.
Curatoren en politieke gevangenen als toetssteen
Laten we eens kijken naar de kwestie van de gedwongen bestuurders. Hebben jullie je ooit afgevraagd waar ter wereld zo'n systeem bestaat? Een dergelijk systeem bestaat nergens anders. Het is een uitvinding van de AKP. De burgemeesters en gemeenteraadsleden zijn gekozen door de wil en de stemmen van de bevolking. Maar de AKP zet deze democratische wil gewoon terzijde en benoemt haar eigen mensen. Een dergelijk systeem is elders nergens te vinden, maar in Koerdistan wordt het toegepast. Er zijn burgemeesters die uit hun ambt zijn ontheven, hoewel de rechtbanken hen niet schuldig hebben bevonden en geen straffen tegen hen hebben opgelegd. Ahmet Türk, Abdullah Zeydan en Ahmet Özer zijn allemaal op vrije voeten. Toch blijven de door de AKP aangestelde gedwongen bestuurders in functie.
Dat is een uiterst ondemocratische praktijk. Om een einde te maken aan dergelijke misstanden zijn er niet eens nieuwe wetten nodig. Daarvoor volstaat de nodige politieke wil. Hetzelfde geldt voor de vrijlating van Selahattin Demirtaş en Figen Yüksekdağ. Het Kobanê-proces is een politiek proces. Als jullie manier van denken daadwerkelijk is veranderd en jullie een vriendschappelijke relatie met de Koerden willen opbouwen, dan moeten jullie de nodige stappen ondernemen. Maar juist dat gebeurt niet. Al deze zaken voeden het wantrouwen. Om het vredesproces vooruit te helpen, moet dit wantrouwen worden overwonnen. Als er vertrouwen ontstaat, kunnen ook de inspanningen van Rêber Apo en de Koerdische vrijheidsbeweging aanzienlijk effectiever worden en concretere resultaten opleveren.
Ons volk hoeft zich geen zorgen te maken. We weten heel goed dat dit proces mogelijk niet succesvol zal zijn. Daarom moeten we alle mogelijkheden in overweging nemen en ons voorbereiden op verschillende ontwikkelingen. We moeten dit proces zien als een strijd. Dit proces is op zichzelf al een strijd. Iedereen moet hieraan meewerken, zich in gemeenten verenigen, zich organiseren en zijn eigen politieke wil versterken. We moeten de politieke en organisatorische strijd intensiveren en daarmee ook de positie van Rêber Apo versterken. Alleen zo kan het proces met meer kracht voortgaan en uiteindelijk succesvol zijn. Zo eenvoudig als sommigen het voorstellen, is de zaak niet. We maken ons zeker zorgen dat het proces zou kunnen vastlopen en dat er nieuwe gevaren zouden kunnen ontstaan. Ook deze mogelijkheid moeten we in onze overwegingen meenemen. Maar onze hoop en ons vertrouwen zijn sterker. We hebben al concrete stappen ondernomen. Nu verwachten we dat ook de Turkse staat deze stappen beantwoordt, zodat het proces verder kan vorderen.