Een jaar na de symbolische wapenverbrandingsceremonie van de PKK ziet Mustafa Karasu, lid van de uitvoerende raad van de Unie van Koerdische gemeenschappen (KCK), het door Abdullah Öcalan in gang gezette proces voor vrede en een democratische samenleving op een cruciaal keerpunt staan. Terwijl de Koerdische vrijheidsbeweging ingrijpende stappen heeft gezet om een einde te maken aan het gewapende conflict, blijft een politieke reactie van de Turkse staat tot nu toe uit. Zonder een alomvattend wettelijk kader, democratische hervormingen en de actieve betrokkenheid van Abdullah Öcalan kan het proces niet vooruitkomen, zei Karasu op de zender Medya Haber.
„We hebben een strategische koerswijziging doorgevoerd“
Karasu verwijst naar de ontwikkelingen sinds Öcalans oproep tot vrede van 27 februari 2025. De ontbinding van de PKK, de ontwapeningsceremonie van 11 juli 2025 in Silêmanî en de terugtrekking van gewapende guerrillagroepen uit Noord-Koerdistan zijn volgens hem uitingen van een fundamentele koerswijziging binnen de Koerdische beweging. Het gaat hierbij uitdrukkelijk niet om tactische stappen, maar om een politieke heroriëntatie op de lange termijn. „We willen de Koerdische kwestie oplossen – niet tactisch, maar door middel van een strategische koerswijziging. We hebben de gewapende strijd achter ons gelaten en zijn de weg van de democratische politiek ingeslagen.“
De ontwapeningsceremonie onder leiding van Besê Hozat, medevoorzitter van de uitvoerende raad van de KCK, had tot doel de wil van de beweging te onderstrepen om het decennialange conflict op politieke wijze te overwinnen. De verwachting was dat Ankara hierop zou reageren met concrete politieke stappen. Volgens Karasu bleef een dergelijke reactie echter uit. „We hebben de partij ontbonden, wapens verbrand en onze troepen teruggetrokken. Toch is er tot nu toe geen enkele serieuze politieke reactie op onze stappen gekomen.“
Kritiek op vertragingen bij de kaderwet
Volgens Karasu staat de al maanden aangekondigde wettelijke regeling voor het vredesproces centraal in het huidige debat. Er wordt weliswaar in het openbaar gesproken over een kaderwet, maar de Koerdische beweging beschikt niet over concrete informatie. Karasu is vooral kritisch over het feit dat er sinds eind mei geen verdere gesprekken met Abdullah Öcalan hebben plaatsgevonden. De Koerdische vertegenwoordiger zou de staat een wetsontwerp hebben laten toezenden, op basis waarvan verdere onderhandelingen zouden moeten plaatsvinden. Sindsdien heerst er echter stilstand.
„Sinds 24 mei heeft er geen enkel gesprek meer plaatsgevonden met Abdullah Öcalan. Dat alleen al toont aan dat het proces niet met de nodige ernst wordt gevoerd”, benadrukt Karasu. Het publieke debat reduceert het politieke conflict bovendien vaak tot de vraag welke guerrillaleden in de toekomst naar Turkije zouden kunnen terugkeren. Daarmee wordt de eigenlijke kern van de Koerdische kwestie gemist. „De vraag is niet wie er terugkeert en wie niet. Het gaat erom of de Koerdische kwestie politiek wordt opgelost.“
Abdullah Öcalan moet het proces actief kunnen vormgeven
Karasu bevestigt tegelijkertijd de centrale rol van Abdullah Öcalan voor het verdere verloop van het vredesproces. Zolang de oprichter van de PKK niet vrij kan werken en ook niet regelmatig met delegaties kan communiceren, is serieuze vooruitgang nauwelijks mogelijk. De KCK-vertegenwoordiger noemt Öcalan een toonaangevende onderhandelingspartner van zowel de Koerdische beweging als de Koerdische samenleving. Zijn politieke voorstellen moeten openbaar kunnen worden besproken. „Zonder Abdullah Öcalan als vrije en handelingsbekwame onderhandelingspartner kan dit proces niet slagen.“ Tegelijkertijd moet het Turkse publiek de kans krijgen om Öcalans ideeën rechtstreeks te leren kennen. Alleen zo kunnen vijandbeelden die decennialang zijn gegroeid, worden overwonnen en kan maatschappelijke steun voor een vredesproces ontstaan.
Meer dan alleen ontwapening
Volgens Karasu schiet de huidige discussie tekort wanneer het vredesproces uitsluitend wordt gereduceerd tot de ontwapening van de guerrilla. Een duurzame vrede vereist democratische randvoorwaarden. Daartoe behoren politieke vrijheid van vereniging, de onbeperkte uitoefening van democratische politiek, een einde aan staatsinmenging in gemeentelijk zelfbestuur en wettelijke garanties voor voormalige guerrillaleden, politieke gevangenen en Koerden die in ballingschap leven. „Een wet mag zich niet beperken tot de vraag wie er mag terugkeren. Ze moet de voorwaarden scheppen zodat democratische politiek vrij kan worden uitgeoefend.“ Karasu verwijst in dit verband ook naar het door Öcalan geformuleerde idee van een „democratische samenleving“, die berust op een zelfgeorganiseerde en politiek actieve bevolking.
„Het Koerdische bestaan moet wettelijk worden erkend“
Karasu noemt de wettelijke erkenning van de Koerden in Turkije een fundamentele voorwaarde voor elke politieke oplossing. Hoewel er tegenwoordig in het openbaar over Koerden wordt gesproken, zijn hun collectieve bestaan en hun politieke rechten noch wettelijk, noch grondwettelijk gewaarborgd. „De Koerden moeten eindelijk in de wet worden opgenomen. Hun bestaan moet wettelijk worden erkend.“ Pas wanneer ook de houding van de staat ten opzichte van de Koerdische identiteit verandert en gelijke politieke rechten wettelijk worden gewaarborgd, kan zich op duurzame wijze een nieuwe politieke cultuur ontwikkelen.
Scepsis ten aanzien van de signalen van Ankara op het gebied van buitenlands beleid
Met het oog op de recente reizen van het hoofd van de Turkse inlichtingendienst, Ibrahim Kalın, naar Irak en de Koerdische regio van Irak (Zuid-Koerdistan), spreekt Karasu zijn twijfels uit over de werkelijke bedoelingen van de Turkse regering. De intensieve diplomatieke activiteit valt samen met een fase waarin wordt gediscussieerd over wettelijke maatregelen voor het vredesproces. In plaats van vertrouwen te wekken, voedt deze aanpak de vrees dat Ankara zich voorbereidt op alternatieve scenario’s op het gebied van veiligheidsbeleid. Ook de NAVO-top in Ankara beoordeelt Karasu tegen deze achtergrond kritisch. Hij verwijt de Turkse regering dat zij internationale steun nog steeds vooral wil gebruiken voor veiligheidsdoeleinden, in plaats van de Koerdische kwestie in eigen land op democratische wijze op te lossen. „Wie zijn binnenlandse problemen met externe steun wil oplossen, creëert geen vrede. Een democratische oplossing voor de Koerdische kwestie kan alleen in het eigen land worden bereikt.“
Karasu benadrukt tegelijkertijd dat de politieke machtsverhoudingen in het Midden-Oosten fundamenteel zijn veranderd. De tijd waarin over de toekomst van de Koerden kon worden beslist zonder hun betrokkenheid, is voorbij. „De Koerden zijn niet meer dezelfde als vroeger. Wie denkt hun toekomst opnieuw te kunnen bepalen zonder hun inbreng, vergist zich.“ De vertegenwoordiger van de KCK maakt duidelijk dat de Koerdische beweging het begonnen vredes- en democratiseringsproces nog steeds als een strategische keuze beschouwt. Of hieruit een duurzame politieke oplossing voortkomt, hangt nu vooral af van de vraag of de Turkse staat bereid is de Koerdische kwestie aan te pakken door middel van juridische en democratische hervormingen.