Toen Abdul Rahman Ghassemlou op 13 juli 1989 een appartement in de Linken Bahngasse in Wenen binnenstapte, hoopte hij op vooruitgang in de gesprekken met vertegenwoordigers van de Islamitische Republiek Iran over een politieke oplossing voor de Koerdische kwestie. Enkele uren later waren de secretaris-generaal van de Democratische Partij van Koerdistan-Iran PDK-I (Ook wel KDP-I), zijn vertegenwoordiger voor Europa Abdullah Ghaderi-Azar en de Koerdische intellectueel Fadel Rasoul doodgeschoten. De daders konden Oostenrijk verlaten ondanks het lopende onderzoek. 37 jaar later is de aanslag in Wenen tot op de dag van vandaag juridisch onbestraft gebleven en geldt deze als een van de bekendste politieke moordaanslagen van het Iraanse regime op Koerdische oppositieleden in Europa.
Hoop op een politieke oplossing
Abdul Rahman Ghassemlou (Ebdurehman Qasimlo) werd in 1973 tijdens het derde congres van de KDP-I tot secretaris-generaal gekozen. Onder het motto „Democratie voor Iran, autonomie voor Koerdistan“ zette hij zich in voor democratische hervormingen in Iran en de erkenning van de politieke rechten van de Koerden. Net als veel andere oppositiekrachten steunde ook Ghassemlou aanvankelijk de revolutie tegen sjah Mohammad Reza Pahlavi. Hij hoopte dat met de val van de monarchie ook de Koerdische bevolking haar nationale en democratische rechten zou kunnen afdwingen.
Foto: Abdullah Ghaderi-Azar (l.), vertegenwoordiger van PDK-I in Europa, en dr. Abdul Rahman Ghassemlou
Nog vóór de revolutie ontmoette Ghassemlou de latere revolutieleider Ruhollah Khomeini meerdere malen tijdens diens ballingschap in Parijs. De verwachtingen van de Koerdische beweging werden echter niet vervuld. Al enkele maanden na de machtsovername verklaarde Khomeini Ghassemlou tot „vijand van God“. Er volgde een jarenlange oorlog tussen de PDK-I en het Iraanse regime, waarbij tot halverwege de jaren tachtig ongeveer 10.000 peshmerga omkwamen.
Onderhandelingen onder bemiddeling van Talabanî
Ondanks het gewapende conflict bleef Ghassemlou vasthouden aan een politieke oplossing. Onder bemiddeling van de voorzitter van de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) en latere Iraakse president Celal Talabanî kwamen eind jaren tachtig opnieuw gesprekken tot stand tussen de PDK-I en Teheran. De eerste onderhandelingsronde vond eind december 1988 plaats in Wenen. Ghassemlou eiste daarbij onder meer het recht op onderwijs in de Koerdische taal en de erkenning van het Koerdisch als tweede officiële taal in Rojhilat. De gesprekken liepen op niets uit.
Na de dood van Khomeini probeerde Ghassemlou de dialoog voort te zetten. De Koerdische intellectueel Fadel Rasoul bemiddelde bij een nieuwe ontmoeting met vertegenwoordigers uit Teheran. Ghassemlou had zich uitgesproken voor Parijs als onderhandelingslocatie. De Iraanse delegatie drong echter aan op Wenen.
De aanslag in de Linken Bahngasse
Op 13 juli 1989 kwamen Ghassemlou, Abdullah Ghaderi-Azar en Fadel Rasoul in een appartement in de Linken Bahngasse in het derde district van Wenen bijeen met Mohammad Jafari Sahraroudi, Mustafa Ajvadi en Amir Mansour Bozorgian. De gesprekken werden opgenomen. Een van de laatste gedocumenteerde uitspraken van Ghassemlou luidde: „Ik zal met lege handen terugkeren en mijn volk niet kunnen vertellen dat Iran bereid is de beloofde autonomie in te voeren.“ Kort daarna openden de leden van de Iraanse delegatie het vuur. Ghassemlou en zijn twee metgezellen werden dodelijk geraakt. Sahraroudi liep daarbij een verwonding aan zijn mond op, die volgens later onderzoek vermoedelijk door een afketste kogel werd veroorzaakt.
Oostenrijk liet de verdachten het land verlaten
Na de aanslag werd Sahraroudi onder politiebewaking in een Weens ziekenhuis behandeld en daar ondervraagd. Op 21 juli verliet hij het ziekenhuis en begaf zich naar de Iraanse ambassade. Een dag later vloog hij met een lijnvlucht van Iran Air naar Teheran. Ook de twee andere verdachten konden Oostenrijk verlaten. Volgens informatie die later bekend werd, hebben Oostenrijkse veiligheidstroepen een van hen zelfs tot aan de luchthaven Wenen-Schwechat begeleid.

In Iran werden de verdachten niet strafrechtelijk vervolgd. In plaats daarvan maakten ze carrière binnen het staatsapparaat. Bozorgian werd generaal van de Revolutionaire Garde en nam later het bevel daarover over in de Koerdische stad Ûrmiye (Urmia). Sahraroudi klom op tot commandant van de Quds-eenheden voor buitenlandse missies en was later onder andere betrokken bij militaire operaties tegen de PDK-I.
Van Wenen naar Mykonos
De aanslag in Wenen bleef niet de enige moordaanslag op de leiding van de PDK-I. Op 17 september 1992 werden Ghassemlou’s opvolger Sadegh Sharafkandi en drie andere Koerdische oppositieleden vermoord in het Berlijnse restaurant Mykonos. In het daaropvolgende Mykonos-proces stelde het Berlijnse Kammergericht vast dat de moorden waren gepleegd in opdracht van de politieke leiding van de Islamitische Republiek Iran. In tegenstelling tot in Oostenrijk werden de daders in Duitsland strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld.
Tot op de dag van vandaag geen gerechtigheid
Ondanks internationale arrestatiebevelen bleven de verantwoordelijken voor de aanslag in Wenen op vrije voeten. Ze verbleven zelfs meerdere malen in Europese landen zonder aan Oostenrijk te worden uitgeleverd. Voor de Koerdische beweging staat de moord op Abdul Rahman Ghassemlou tot op de dag van vandaag symbool voor de grensoverschrijdende vervolging van Koerdische oppositieleden door het Iraanse regime en de decennialange straffeloosheid van de verantwoordelijken. 37 jaar na de aanslag wachten de nabestaanden van de slachtoffers en het Koerdische publiek nog steeds op een volledige juridische afhandeling en politieke consequenties.