DOSSIERS & OPINIE

22 april: Dag van de Koerdische journalistiek

22 april: Dag van de Koerdische journalistiek

Op 22 april 1898 verscheen in Caïro met „Kurdistan“ de eerste Koerdisch-talige krant ter wereld. Deze werd uitgegeven door Mîqdad Mîdhat Bedirxan, een lid van de invloedrijke Bedirxan-familie. Met deze publicatie begon een geschiedenis die tot op de dag van vandaag gekenmerkt wordt door ballingschap, onderdrukking en het streven naar verlichting. 22 april wordt daarom gevierd als de dag van de Koerdische journalistiek.

Het ontstaan van de krant was nauw verbonden met de politieke omwentelingen van de 19e eeuw. Bedirxans vader, Bedirxan Beg, de laatste Mîr van het Koerdische vorstendom Botan, was in 1847 in opstand gekomen tegen het Ottomaanse Rijk en was na de neerslag van de opstand in ballingschap gestuurd. Ook de volgende generaties van de familie waren vanuit het buitenland actief en maakten van de ballingschap een centrale plek voor Koerdisch politiek en cultureel werk.

Zo ontstond „Kurdistan” niet in de Koerdische regio’s zelf, maar in Egypte. Al kort na de eerste uitgave reageerde het Ottomaanse bewind: sultan Abdülhamid II verbood de verspreiding van de krant in het rijk. De redactie werd gedwongen meerdere malen van locatie te veranderen – van Caïro naar Genève, later naar Londen en Folkestone. In totaal verschenen er tot 1902 slechts 31 uitgaven.

Mîqdad Mîdhat Bedirxan (bovenste rij, 2e van rechts) en andere leden van de familie Bedirxan, rond 1880

Ondanks dit beperkte aantal was de impact groot. „Kurdistan“ verscheen zowel in het Koerdisch (Kurmancî) als in het Ottomaans en richtte zich op een lezerspubliek dat op de hoogte moest worden gehouden van onderwijs, wetenschap en politieke ontwikkelingen. In zijn hoofdartikel formuleerde Bedirxan de ambitie om de Koerdische bevolking te informeren over de gebeurtenissen in de wereld en hun bewustzijn te versterken. Een krant als deze had er voorheen niet bestaan: „Deze krant is een baanbreker”, stelde hij vast.

De publicatie was daarbij meer dan een informatiemedium. Ze verbond voorlichting met politieke positionering. “Kurdistan” bekritiseerde het autocratische bewind van Abdülhamid II en ging in op zijn beleid, met name op de rol van de Hamidiye-regimenten. Deze eenheden, die ook uit Koerdische stammen werden gerekruteerd, droegen bij aan de verdeeldheid in de samenleving en waren betrokken bij de genocide op de Armeense bevolking.

Tegelijkertijd zag de krant zichzelf als een cultureel project. Ze publiceerde teksten over de Koerdische geschiedenis en literatuur en drukte delen van het epos „Mem û Zîn“ van Ehmedê Xanî af. Het doel was om maatschappelijk bewustzijn te creëren en onderwijs te versterken als basis voor politieke en sociale ontwikkeling. In de ondertitel werd dit uitdrukkelijk verwoord: De krant moest bijdragen aan de „(her)ontwaking van de Koerden“.

Deze combinatie van politieke analyse, cultureel werk en educatieve ambities drukte ook haar stempel op de volgende generaties Koerdische media. Er ontstonden steeds weer kranten en tijdschriften, die echter vaak slechts kort bestonden. Repressie, verboden en economische druk leidden ertoe dat veel projecten moesten worden stopgezet of naar het ballingschap werden verplaatst.

Publicaties als „Hawar“ (Damascus, 1932), „Ronahî“ (Damascus, 1942) of „Roja Nû“ (Beiroet, 1943) sloten aan bij het werk van de familie Bedirxan. Latere intellectuelen zoals Musa Anter of Medet Serhat zetten deze traditie voort door nieuwe tijdschriften op te richten – vaak onder moeilijke politieke omstandigheden en met een beperkte levensduur.

Ook in de tweede helft van de 20e eeuw bleef de Koerdische journalistiek gekenmerkt door repressie. Veel publicaties verschenen tweetalig of moesten hun werk na korte tijd staken. Het eerste uitsluitend Koerdisch-talige tijdschrift in Turkije, „Tîrêj“, kon in 1977 slechts vier nummers publiceren voordat het werd verboden.

Tot op de dag van vandaag is er weinig veranderd aan deze omstandigheden. Koerdische journalisten werken vaak onder druk, worden vervolgd of zijn gedwongen hun werk in ballingschap voort te zetten. Tegelijkertijd blijft de Koerdische journalistiek een centrale ruimte voor maatschappelijke debatten, culturele zelfbevestiging en politieke articulatie.

22 april staat daarmee niet alleen symbool voor het begin van een persgeschiedenis, maar ook voor een voortdurende strijd om zichtbaarheid, taal en politieke rechten. Van het eerste nummer van „Kurdistan“ tot vandaag loopt er een rode draad waarin journalistiek niet alleen informatie betekent, maar ook verzet en zelfbewustzijn.

Gerelateerde Artikelen