- Noord-Koerdistan
De medevoorzitter van de DBP, Çiğdem Kılıçgün Uçar, beschouwt de in het Turkse parlement aangenomen kaderwet als ontoereikend, maar ziet er wel een uitgangspunt in voor verdere democratisering. Het is nu van cruciaal belang om de wet te begeleiden, te controleren en aan te vullen. Uçar sprak zich hierover uit tijdens een bijeenkomst met vertegenwoordigers van lokale media en maatschappelijke organisaties in Çewlîg (Tr. Bingöl). Het evenement vond plaats in het kader van de DBP-reeks „Samen met de bevolking ontwikkelen we de boodschap van vrede“. Centraal stonden het proces voor vrede en een democratische samenleving, evenals de inmiddels in werking getreden wet ter „versterking van de nationale solidariteit en maatschappelijke integratie“.
„De Koerdische kwestie wordt opnieuw besproken met het oog op een oplossing“
Dat de Koerdische kwestie weer prominent op de agenda van het parlement staat, noemde Uçar een „historische prestatie“. Met de oproep van Abdullah Öcalan van 27 februari 2025 is een ontwikkeling in gang gezet die de ruimte heeft gecreëerd om in plaats van over oorlog te spreken, te praten over vrede, vrijheid en democratische politiek. De DBP-voorzitter hechtte bijzonder veel belang aan de uitgesproken wil van de PKK om het gewapende verzet te beëindigen en de strijd te verplaatsen naar het vlak van de democratische politiek. Daarbij verwees ze ook naar de historische rol van het Turkse parlement: „Dit parlement is het parlement waarin werd besloten de Koerden te ontkennen. Jaren later heeft de wil tot vrijheid de Koerdische kwestie juist in ditzelfde parlement opnieuw ter discussie gesteld, met het oog op een oplossing.“ Uçar bedankte alle politieke partijen, maatschappelijke organisaties en mensen die aan deze ontwikkeling hebben bijgedragen en zich voor vrede hebben ingezet.
Van de „bestaansvraag“ naar democratisering
Het beleid ten aanzien van de Koerdische kwestie heeft zich tot nu toe daarentegen vertaald in gedwongen beheer, onderdrukking en gevangennemingen. Het beleid van ontkenning en geweld in Turkije heeft de Koerdische kwestie jarenlang behandeld als een zogenaamde „bestaanvraagstuk“ van de staat. Deze visie moet fundamenteel veranderen, aldus Uçar. De staat en de politieke partijen worden opgeroepen om in plaats daarvan een democratische aanpak te hanteren. De nieuwe wet moet daarbij een basis leggen voor normalisatie, waarop democratische eisen daadwerkelijk kunnen worden verwezenlijkt.
„De wet voldoet niet aan de behoeften“
Tegelijkertijd maakte Uçar duidelijk dat de aangenomen regeling tot nu toe niet aan deze eis voldoet. „De wet is ontoereikend. Het is geen wet die beantwoordt aan de behoeften van het Koerdische volk en de democratie in Turkije.“ De DBP wil het niettemin niet als een afgerond wettelijk kader beschouwen, maar als het begin van een verdergaand proces: „Wij zien het als onze taak om dit als een begin te beschouwen en deze kaderwet zowel te ondersteunen en te controleren als aan te vullen.“ Uçar riep alle maatschappelijke krachten op om zich aan de kant van democratie en vrede te scharen. Na haar toespraak beantwoordde ze vragen van de deelnemers.
Bron: MA