Tussen Rojava en Damascus lopen de onderhandelingen over de uitvoering van het integratieakkoord door, terwijl de situatie ter plaatse verscherpt. De aanval op de eerste groep terugkeerders naar Serêkaniyê (Ras al-Ain) en de dood van twee strijders in Qamişlo roepen de vraag op in hoeverre het overeengekomen proces daadwerkelijk vooruitgang heeft geboekt. Over centrale kwesties bestaan nog steeds aanzienlijke meningsverschillen.
De overeenkomst die eind januari werd gesloten tussen de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) en de islamistische overgangsregering in Damascus voorziet onder meer in een staakt-het-vuren, de integratie van de structuren van het zelfbestuur met behoud van hun autonomie, de veilige terugkeer van de ontheemden uit de bezette gebieden, de erkenning van de taalkundige en culturele rechten van de Koerden, en een herschikking van de veiligheidsstructuren.
Ruim een half jaar later verhindert vooral het standpunt van Damascus ten aanzien van onderwijs in de moedertaal, de terugkeer van ontheemden, de toekomstige structuur van de SDF en de status van de Vrouwelijke Volksverdedigingseenheden (YPJ) verdere vooruitgang bij de uitvoering van het akkoord. De Syrische leiding houdt daarbij vast aan een centralistische opvatting van de staat.
Deze onderwerpen stonden ook op de agenda tijdens de ontmoeting op 4 augustus in Damascus tussen Mazlum Abdi, de opperbevelhebber van de SDF, en Ilham Ehmed, de medevoorzitter van de Buitenlandse Zaken van het zelfbestuur van Noord- en Oost-Syrië, met de zelfbenoemde overgangspresident van Syrië, Ahmed al-Scharaa.
Koerdisch onderwijs blijft twistpunt
Tot de centrale thema’s behoorden het onderwijs in de moedertaal en de status van de Koerdische taal. Damascus hield opnieuw vast aan het standpunt dat Koerdisch slechts twee uur als keuzevak aangeboden zou worden. De delegatie uit Rojava wees dit af. De gesprekken hierover zullen worden voortgezet met het ministerie van Onderwijs. Uit onderhandelingskringen klinkt tegelijkertijd dat het standpunt van de overgangsregering in de taalkwestie iets minder rigide is geworden ten opzichte van eerdere gesprekken.
Damascus wil troepen in Kobanê stationeren
Een ander twistpunt is de toekomstige veiligheidsstructuur in Kobanê. Momenteel wordt de veiligheid in de stad gewaarborgd door Koerdische strijdkrachten, terwijl troepen van de overgangsregering aanwezig zijn in de voorsteden Şêxler, Çelebiyê en Sirrîn. Volgens informatie uit de onderhandelingen wil Damascus ook eigen troepen in Kobanê stationeren. De SDF wijst dit af.
Geschil over de omvang van de SDF-brigades
Ook is nog niet duidelijk hoeveel SDF-strijders in de toekomstige structuren zullen worden opgenomen. Damascus wil de troepen in vier brigades samenvoegen en hun personeelssterkte beperken. Volgens schattingen van de Rojava-zijde zou hierdoor een aanzienlijk deel van de bestaande verdedigingsstrijdkrachten buiten de nieuwe structuur blijven. Momenteel zijn er drie brigades gepland in de regio Cizîrê en nog een in Kobanê. Damascus wil de omvang van elke brigade beperken tot 1.300 leden en troepen die dit aantal overschrijden als „overtollig“ behandelen en ontbinden. De SDF dringt daarentegen aan op het betrekken van al haar leden bij het integratieproces. Vanwege dit meningsverschil kan de integratie van de SDF tot nu toe nog niet als afgerond worden beschouwd.
YPJ als „antiterreureenheid“?
De toekomstige status van de YPJ is van bijzonder belang. Sinds de machtsovername door „Hayat Tahrir al-Sham“ (HTS) in december 2024 erkent de nieuwe leiding in Damascus de zelfstandige organisatie van gewapende vrouwen niet en dringt zij aan op de ontbinding ervan. De YPJ heeft op haar beurt herhaaldelijk verklaard als georganiseerde vrouwelijke verdedigingsmacht de verantwoordelijkheid voor de bescherming van de bevolking te willen blijven dragen.
Volgens informatie van de medevoorzitter van het Bureau voor Algemene Betrekkingen van de Democratische Syrische Raad (MSD), Hesen Mihemed Elî, is tijdens de recente gesprekken een andere optie besproken. Daarin zou de YPJ niet als onderdeel van het Syrische leger blijven bestaan, maar als een aan het ministerie van Binnenlandse Zaken ondergeschikte „antiterreureenheid“. Hierover is tot nu toe nog geen besluit genomen. De kwestie zal worden behandeld tijdens een nog te houden bijeenkomst tussen de YPJ en het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Koerdische vertegenwoordiging ook in het buitenland geëist
Ook wat betreft de internationale vertegenwoordiging van Syrië eist de Koerdische kant inspraak. De delegatie uit Rojava zou tijdens de recente gesprekken duidelijk hebben gemaakt dat Koerden ook in de ambassades en consulaten van het land vertegenwoordigd moeten zijn. Tot nu toe zijn er, naast de vice-minister van Defensie, de plaatsvervangend commandant van de 60e Divisie en functies in het gouvernement Hesekê en enkele overheidsinstanties, slechts weinig Koerden in hogere staatsfuncties.
De delegatie wees erop dat de Koerden tot de bevolkingsgroepen behoren die betrokken moeten worden bij het vormgeven van de toekomst van Syrië, en eiste een passende vertegenwoordiging, ook op hogere staatsniveaus. Damascus zou vervolgens om een lijst met namen voor de betreffende functies hebben gevraagd.
Terugkeer als lakmoesproef voor het akkoord
Een van de grootste problemen bij de uitvoering van het akkoord tot nu toe is de terugkeer van de ontheemden. Artikel 14 voorziet in de terugkeer van de mensen die uit Efrîn, Şêxmeqsûd en Serêkaniyê zijn verdreven naar hun steden en dorpen, en in de betrokkenheid van lokale verantwoordelijken bij het burgerlijk bestuur van deze gebieden. De eerste georganiseerde terugkeerbewegingen vonden plaats naar Efrîn, dat in 2018 werd bezet door Turkije en de door Turkije gesteunde jihadistische milities. Op 9 maart vertrok een eerste konvooi met ongeveer 400 gezinnen en in totaal zo’n 2.000 mensen. Zij keerden onder meer terug naar Mabeta, Şiyê en Cindirês. Het tot nu toe laatste konvooi vertrok op 21 mei vanuit Qamişlo. In totaal zijn op deze manier ongeveer 11.000 gezinnen na acht jaar teruggekeerd naar hun regio van herkomst. Voor velen begon met hun aankomst echter een nieuw conflict over huizen, land en veiligheid.
Duizenden huizen nog steeds bezet
Een van de grootste problemen is dat de huizen van verdreven mensen nog steeds door anderen worden bewoond. Het gaat daarbij onder meer om familieleden van leden van gewapende islamistische groeperingen zoals Al-Amshat, Furqat al-Hamza en de Sultan-Murad-brigade, die onder Turkse controle staan. Volgens informatie uit de regio zijn in Efrîn, evenals in Mabeta, Şiyê, Cindirês en Bilbilê, ongeveer 5.000 familieleden van van buitenaf gevestigde gezinnen ondergebracht. Een deel weigert naar verluidt de huizen van de oorspronkelijke eigenaren te verlaten. In andere gevallen zouden huizen vóór de ontruiming zijn beschadigd of zou inboedel zijn meegenomen.
Ook de Turkse militaire aanwezigheid in Efrîn blijft bestaan. Er bevinden zich nog steeds militaire bases op onder andere de Parsê-heuvel en de Guz-heuvel, in Bîlelko en Kefir Cenê, evenals in Şêxûrzê in het district Bilbilê en in het dorp Dewrîş bij Raco. Tot nu toe heeft het Turkse leger zich slechts uit drie dorpen teruggetrokken. De overgangsregering in Damascus is momenteel verantwoordelijk voor de veiligheid in Efrîn.
Terugkeer zonder economische basis
Ook ontbreken op veel plaatsen de economische voorwaarden voor een blijvende terugkeer. Terugkeerders kregen weliswaar enkele maanden financiële steun, maar velen kunnen hun landbouwgrond niet bewerken of beschikken niet meer over de daarvoor benodigde apparatuur. Daar komen nog veiligheidsproblemen bij. Vorige maand werden vijf mensen en twee weken geleden nog eens twee inwoners op weg naar hun akkers gedood door tot nu toe niet-geïdentificeerde gewapende mannen. Van volledig gegarandeerde veiligheid in Efrîn is dan ook nog steeds geen sprake. Ook een andere belofte uit het akkoord is daar tot nu toe niet nagekomen: kinderen kunnen nog steeds geen onderwijs krijgen in hun Koerdische moedertaal.
Eerste groep terugkeerders naar Serêkaniyê aangevallen
De moeilijkheden kwamen nog duidelijker naar voren bij de eerste georganiseerde terugkeer naar Serêkaniyê sinds de invasie van oktober 2019. Op 10 augustus vertrok een konvooi van 410 Koerdische, Arabische en christelijke gezinnen. Ongeveer 2.500 mensen uit de stad en de omliggende dorpen maakten deel uit van de groep. Direct na aankomst in Serêkaniyê werden de terugkeerders aangevallen door gewapende bezetters. Hierbij waren ongeveer veertig Koerdische gezinnen betrokken. Uit bezorgdheid voor hun veiligheid verlieten zij Serêkaniyê vervolgens weer en keerden terug naar Qamişlo en Hesekê. De verdere terugkeerbewegingen werden voorlopig opgeschort.
„De verantwoordelijken moeten voor veiligheid zorgen“
Ciwan Îso van het Comité van ontheemden uit Serêkaniyê schat het aantal mensen uit de regio dat nog steeds ontheemd is op ongeveer 100.000. Volgens de overeenkomst zouden de gewapende groeperingen eerst de in beslag genomen huizen moeten ontruimen en zouden de nodige veiligheidsvoorwaarden moeten worden gecreëerd, voordat een permanente terugkeer mogelijk is. De aanval op de eerste groep heeft aangetoond dat aan deze voorwaarden nog niet is voldaan. De gebeurtenis heeft onder de ontheemden grote angst veroorzaakt. Daarom wordt de terugkeer opgeschort totdat aan de overeengekomen voorwaarden is voldaan. „De overgangsregering in Damascus, het Autonome Bestuur en het gouvernement Hesekê moeten zorgen voor veiligheid en hun verantwoordelijkheid nemen“, eist Îso.
Auteur: Gurbet Sarya