- Noord-Koerdistan
In de Noord-Koerdische metropool Amed (Turks: Diyarbakır) begint aanstaande vrijdag het proces over de feminicide op Rojda Yakışıklı. Voor de 8e Grote Strafkamer moeten Okay Gür, Barış Dorğun en Ömer Dorğun zich verantwoorden. Het Openbaar Ministerie eist voor alle drie de verdachten een verzwaarde levenslange gevangenisstraf wegens moord in medepleging.
Yakışıklı werd eind december 2025 vermoord, een dag nadat Okay Gür in het kader van het 11e justitiepakket uit de gevangenis was vrijgelaten. Gür had de 28-jarige vrouw al tijdens zijn detentie bedreigd en belde haar na zijn vrijlating opnieuw op. „Ik ga je vermoorden“, zou hij tegen haar hebben gezegd. Yakışıklı, die met de dader in een islamitisch huwelijk was verbonden, wendde zich daarop tot de politie en verzocht om beschermingsmaatregelen. Advocaat Cansel Talay van het Centrum voor Vrouwenrechten van de Orde van Advocaten van Amed eist daarom dat in het proces niet alleen de daad zelf, maar ook de gebeurtenissen voorafgaand aan de moord op Yakışıklı worden opgehelderd.

Cansel Talay
Geheimhouding bemoeilijkte het onderzoek
Het onderzoek viel maandenlang onder een geheimhoudingsbevel. Daardoor kregen familie en advocaten pas na de voltooiing van de tenlastelegging toegang tot essentiële informatie en documenten. „Totdat de tenlastelegging was opgesteld, wisten we niets over de gang van zaken en de maatregelen in het onderzoeksdossier. Daarom konden we ook geen effectieve stappen ondernemen tegen de verantwoordelijke personen en instellingen die in de aanloop naar Rojda’s dood een rol hebben gespeeld”, aldus Talay.
Volgens de advocate behoort met name de vraag hoe de politie is omgegaan met het verzoek om bescherming van Yakışıklı tot de openstaande kwesties. De civiele partij wil duidelijkheid over welke ambtenaren hiermee bezig waren en welke beschermings- en preventiemaatregelen er zijn genomen op grond van de Turkse wet inzake bescherming tegen geweld nr. 6284.
„Hier had een zeer hoog risico moeten worden onderkend“
Talay bekritiseert bovendien dat er vóór de vrijlating van Gür blijkbaar geen voldoende risicobeoordeling is uitgevoerd. Gezien zijn eerdere bedreigingen tegen Yakışıklı en een andere vrouw had het risico onderkend moeten worden. „Rojda had in een vrouwenopvangcentrum kunnen worden ondergebracht. Ze had persoonlijke bescherming kunnen krijgen. De veiligheidsmaatregelen hadden kunnen worden verscherpt. De vrijlating had kunnen worden uitgesteld of er had een andere tijdelijke oplossing kunnen worden gevonden“, aldus Talay.
Bij vrijlatingen in het kader van het justitiepakket moet worden onderzocht of mannen tegen wie al klachten wegens geweld tegen vrouwen zijn ingediend, een concreet gevaar vormen. In de zaak Yakışıklı is dit van bijzonder belang, aangezien de bedreigingen al vóór de vrijlating van Gür bekend waren. „Hieruit blijkt eens te meer dat het recht van vrouwen op leven niet als waardevol wordt beschouwd”, aldus Talay. Risicobeoordelingen ter voorkoming van feminicide mogen „niet alleen op papier staan”.
Advocaten willen verantwoordelijkheden verduidelijken
Het openbaar ministerie gaat ervan uit dat Gür en de twee medeverdachten gezamenlijk hebben gehandeld. Talay bekritiseert tegelijkertijd dat in de tenlastelegging ruime aandacht wordt besteed aan de verklaringen van de hoofdverdachte, terwijl onvoldoende rekening wordt gehouden met het fysieke en psychische geweld dat eerder tegen Yakışıklı werd uitgeoefend, haar klachten en haar wens om uit elkaar te gaan. Het Centrum voor Vrouwenrechten wil er daarom tijdens het proces op aandringen dat de nog openstaande vragen uit het vooronderzoek worden opgehelderd en dat de mogelijke verantwoordelijkheden voor het nalaten van beschermingsmaatregelen worden vastgesteld.
Voor Talay reikt het belang van de procedure verder dan deze ene feminicide: „Elke zin die in een rechtszaal wordt uitgesproken en elke beslissing die daar wordt genomen, is bepalend voor de samenleving. Het gaat niet alleen om de vraag of Rojda en haar familie gerechtigheid krijgen. De uitspraak van de rechtbank is een boodschap aan de hele samenleving.”
Ten minste 197 gevallen van feminicide sinds het begin van het jaar
De zaak Rojda Yakışıklı maakt deel uit van een lange reeks gevallen van feminicide in Turkije. Volgens gegevens van het platform „We zullen de moorden op vrouwen stoppen“ (KCDP) zijn alleen al in augustus ten minste 22 vrouwen door mannen vermoord; nog eens 33 vrouwen stierven onder verdachte omstandigheden. Sinds het begin van het jaar heeft de organisatie minstens 197 gevallen van feminicide en 215 verdachte sterfgevallen gedocumenteerd. De KCDP wijst daarbij steeds weer op het falen van bestaande beschermingsmechanismen. Verschillende van de in augustus vermoorde vrouwen hadden al vóór hun dood te maken gehad met geweld of bedreigingen, of hadden beschermingsmaatregelen tegen de latere daders afgedwongen. Het platform eist daarom de consequente toepassing van effectieve beschermings- en preventiemaatregelen.