- Frankrijk
Terwijl het Comité van Ministers van de Raad van Europa opnieuw beraadslaagt over de uitvoering van het zogenaamde recht op hoop voor Abdullah Öcalan, neemt de druk op Ankara toe. Centraal in de beraadslagingen staat de vraag of en hoe Turkije een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uit 2014 zal uitvoeren, dat betrekking heeft op de detentieomstandigheden van de Koerdische vertegenwoordiger en het recht op hoop.
Volgens de academicus en voormalig lid van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (PACE), Hişyar Özsoy, zijn de huidige beraadslagingen van bijzonder belang. Ze hebben niet alleen betrekking op de uitvoering van een mensenrechtenverplichting, maar ook op de toekomst van het lopende vredes- en democratiseringsproces.
Twaalf jaar na het EHRM-arrest nog steeds geen uitvoering
Het EHRM had al in 2014 beslist dat gevangenen die tot levenslange gevangenisstraf zijn veroordeeld zonder reëel vooruitzicht op vrijlating, het vooruitzicht moeten hebben om onder bepaalde voorwaarden hun vrijheid terug te krijgen. Het daaruit afgeleide „recht op hoop” behoort sindsdien tot de centrale eisen in de zaak Abdullah Öcalan.
Zoals Özsoy benadrukt, heeft Turkije het besluit tot op heden nog niet uitgevoerd. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa heeft Ankara weliswaar herhaaldelijk opgeroepen om de nodige juridische stappen te ondernemen, maar er is nog steeds geen concreet actieplan. „Tot op heden is er geen actieplan over hoe het recht op hoop moet worden geïmplementeerd”, verklaarde Özsoy.
De dag ervoor hadden Koerdische politici in ballingschap voor de Raad van Europa in Straatsburg al opgeroepen tot onmiddellijke uitvoering van het recht op hoop. De beraadslagingen van het Comité van Ministers worden daarom ook nauwlettend gevolgd door Koerdische organisaties en mensenrechteninitiatieven.
“De kwestie reikt verder dan Öcalans persoonlijke vrijheid”
Voor Özsoy beperkt het debat zich niet tot de persoonlijke situatie van Abdullah Öcalan. Het staat veeleer in direct verband met het politieke proces, dat sinds Öcalans oproep tot vrede van 27 februari 2025 een nieuwe dynamiek heeft gekregen. De voormalige HDP-afgevaardigde wijst erop dat Öcalan voor de Koerdische kant nog steeds een van de centrale politieke actoren in het lopende proces is. Zijn rol reikt veel verder dan die van een gevangene en wordt door grote delen van de Koerdische samenleving gezien als die van vredesbemiddelaar en politieke gesprekspartner.
„Het recht op hoop is niet alleen een kwestie van de persoonlijke vrijheid van Abdullah Öcalan”, benadrukt Özsoy. Tegelijkertijd herinnert hij eraan dat er de afgelopen maanden aan Koerdische zijde verschillende stappen zijn gezet om het proces te ondersteunen. Hij noemt onder meer het besluit tot ontbinding van de PKK, de symbolische vernietiging van wapens en andere eenzijdige maatregelen ter bevordering van een politieke oplossing. Tegen deze achtergrond ziet Özsoy nu de verantwoordelijkheid bij de staatsinstellingen liggen. Als de politieke toezeggingen van de afgelopen maanden geloofwaardig willen blijven, moeten deze worden gevolgd door concrete juridische en politieke stappen.
Oproep aan de Raad van Europa en Europese instellingen
Özsoy spreekt zich ook kritisch uit over de rol van Europese instellingen. Noch de Europese Unie, noch de Europese staten hebben tot nu toe een voldoende bijdrage geleverd aan een democratische en vreedzame oplossing van de Koerdische kwestie. Juist in de huidige fase rust er echter een bijzondere verantwoordelijkheid op de Raad van Europa. Zolang er officiële gesprekken worden gevoerd tussen de Turkse staat en Abdullah Öcalan, mogen de Europese instellingen niet aan de zijlijn blijven staan.
Özsoy verwijst in dit verband niet alleen naar de uitspraken over het recht op hoop, maar ook naar andere arresten van het EHRM betreffende gedetineerde Koerdische politici. Een consequente uitvoering van deze uitspraken zou het lopende proces kunnen versterken en bijdragen aan een democratische oplossing. „De uitvoering van deze uitspraken zou het lopende proces een flinke impuls geven”, zegt hij.
Volgens Özsoy blijft de onopgeloste Koerdische kwestie een van de belangrijkste oorzaken van de tekortkomingen op het gebied van democratie en mensenrechten in Turkije. Vooruitgang op dit gebied zou daarom niet alleen het vredesproces bevorderen, maar ook de ontwikkeling van de rechtsstaat en de democratie stimuleren. De huidige beraadslagingen van het Comité van Ministers zijn daarom meer dan een juridische procedure. Vanuit het perspectief van Özsoy vormen ze een test om te zien of de Europese instellingen bereid zijn om hun eigen mensenrechtennormen ook in de zaak van Abdullah Öcalan consequent te eisen.
Bron: ANF