DOSSIERS & OPINIE

Het beleid van verarming in Koerdistan

Het beleid van verarming in Koerdistan

De armoede in Noord-Koerdistan is geen toeval, maar het resultaat van een langdurig, veelzijdig regionaal beleid dat al decennia lang wordt gevoerd. De centrale vraag luidt: hoe heet dit beleid, op wie is het gericht en wat zijn de gevolgen ervan?

Als we de ranglijsten van het inkomen per hoofd van de bevolking in Turkije bekijken, wijzen de provincies die steevast onderaan staan op dezelfde regio: Siirt (Sêrt), Mardin (Mêrdîn), Diyarbakır (Amed), Batman (Êlîh), Van (Wan), Ağrı (Agirî), Muş (Mûş) en Bitlis (Bedlîs). Wat deze steden gemeen hebben, is niet alleen hun positie onderaan de economische ranglijsten, maar ook dat het steden in Koerdistan zijn.

Gegevens die het Turkse Bureau voor de Statistiek (TUIK) voor 2024 heeft gepubliceerd, bevestigen dit beeld. De wortels van deze situatie reiken echter veel verder terug en de gevolgen ervan zijn voortdurend merkbaar.

Is armoede in Koerdistan werkelijk een „mislukking van de ontwikkeling”, of is het het resultaat van een bewust beleid? Wanneer de gegevens, de historische ontwikkeling en de huidige sociale omstandigheden in hun geheel worden bekeken, wijst het beeld niet alleen op armoede, maar op verarming.

Armoede of verarming?

Armoede wordt doorgaans gedefinieerd als het onvermogen om in basisbehoeften te voorzien. Deze definitie verhult echter de oorzaken ervan. Een laag inkomen, werkloosheid en onzekere arbeidsomstandigheden vormen de economische kant van armoede. In het geval van Koerdistan schuilt er echter een ander beeld achter deze economische realiteit. Verarming verwijst naar de systematische uitsluiting van een regio van toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, vervoer en investeringen, evenals naar de blootstelling ervan aan landonteigeningen, koloniale praktijken en ongelijk ontwikkelingsbeleid door de geschiedenis heen. Dit onderscheid is niet alleen conceptueel, maar ook politiek. Door de oorzaken van armoede onzichtbaar te maken, maakt het systeem oplossingen onmogelijk.

Terwijl armoede wordt verklaard aan de hand van economische factoren zoals gebrek aan inkomen, werkloosheid en lage lonen, en de oplossingen daarvoor worden besproken in het kader van welzijns- en werkgelegenheidsbeleid, verwijst verarming naar de opzettelijke achterstelling van een regio. Het ontstaat door het samenspel van politieke, historische en economische factoren, en om dit aan te pakken is een structurele transformatie nodig.

Sporen van een koloniale economie

Vanuit economisch perspectief bekeken, laat de twintigste-eeuwse geschiedenis van Noord-Koerdistan een proces zien waarin de regio werd gepositioneerd als bron van grondstoffen en goedkope arbeidskrachten voor Turkije. Het grootste deel van de landbouwgrond kwam via het grootgrondbezitterssysteem onder staatscontrole, terwijl het industrialisatiebeleid de regio herhaaldelijk links liet liggen. De ontruimingen van dorpen en de golven van gedwongen migratie in de jaren negentig vormden de zwaarste fase van dit proces. De verwoesting van duizenden dorpen en de ontheemding van miljoenen mensen hebben zowel de landbouwproductie als het sociale weefsel verwoest. Gezinnen die migreerden, raakten verstrikt in de meest gemarginaliseerde lagen van de arbeidersklasse in de buitenwijken van westelijke steden zoals Istanbul, Izmir en Mersin.

De huidige realiteit die uit deze geschiedenis voortkomt, is lange tijd verborgen gebleven onder het verhaal van een „onderontwikkelde regio“. Toch is deze „onderontwikkeling“ niet het resultaat van een natuurlijk proces, maar van historische, politieke en economische keuzes. In het afgelopen decennium heeft dezelfde logica zich voortgezet via nieuwe mechanismen.

Nieuwe instrumenten voor opzettelijke verarming

Het ontslag van gekozen burgemeesters en de benoeming van staatsbestuurders in heel Koerdistan na 2016 was niet louter een politieke ingreep. Het was ook een economische keuze. Dit beleid, dat in tientallen gemeenten werd doorgevoerd, had ingrijpende gevolgen voor de lokale economieën. Werkgelegenheidsprojecten, coöperaties en sociale diensten die door gemeenten werden beheerd, werden ontwricht. In grote steden zoals Diyarbakır, Mardin en Van verloren grote aantallen gemeentemedewerkers hun baan. Lokale ontwikkelingsinstanties, landbouwondersteuningsprogramma’s en beroepsopleidingen werden ofwel opgeheven ofwel onwerkbaar gemaakt. Sindsdien hebben veel gezinnen in deze steden nauwelijks economische verbetering gezien.

Stedelijke transformatie en onteigening

Langdurige avondklokken en staatsoperaties in districten als Cizre (Cizîr), Sur (Sûr), Nusaybin (Nisêbîn) en Silopi (Silopiya) leidden tot economische verwoesting. Tienduizenden mensen raakten hun huizen, bedrijven en spaargeld kwijt. Vernietigde wijken bleven jarenlang leegstaan, terwijl wederopbouwprojecten grotendeels werden gecontroleerd door grote aannemers via centraal gegunde aanbestedingen, in plaats van door lokale bewoners. Het proces leek op wat in oorlogseconomieën wordt omschreven als ‘accumulatie door onteigening’. Terwijl het historische stedelijke weefsel verdween, kochten externe investeerders onroerend goed op tegen lage prijzen. Ontheemde bewoners werden ondertussen gedwongen om in tijdelijke huisvesting of in andere provincies te blijven wonen.

Een economie van afhankelijkheid

De afgelopen jaren is het economisch beleid ten aanzien van de regio minder gericht op ontwikkelingsinvesteringen en meer op sociale bijstand onder voorwaarden. De steun die via stichtingen voor sociale bijstand en solidariteit wordt verstrekt, neemt tijdens verkiezingsperiodes aanzienlijk toe. Deze aanpak is niet gericht op het uitbannen van armoede. In plaats daarvan normaliseert het het leven in armoede en de afhankelijkheid van staatssteun. Onderzoekers en politicologen omschrijven deze verhouding als een „politieke afhankelijkheidseconomie”.

Door middel van welzijnsprogramma’s die zijn afgestemd op electorale overwegingen, verzekert de staat zich niet alleen van loyaliteit op korte termijn, maar belemmert hij ook de mogelijkheid van economische onafhankelijkheid op lange termijn.

Van de Koerdische kwestie tot werkloosheid

Gegevens uit veldonderzoek wijzen op een opvallende verschuiving in de prioriteiten van de bevolking in Koerdistan in het afgelopen decennium. Vóór 2016 bleek uit enquêtes in Koerdische steden dat de ‘Koerdische kwestie’ en de ‘conflictsituatie’ de meest genoemde problemen waren onder de inwoners. Sinds 2016 richten de zorgen zich echter steeds meer op de ‘economische crisis’ en ‘werkloosheid’.

Deze trend komt gedetailleerder naar voren in gegevens die zijn verzameld door het Centrum voor Sociaal-Politiek Veldonderzoek (SAMER). De samenleving is meer gericht geraakt op economische problemen dan op politieke kwesties. Toch rijst een cruciale vraag: is deze verschuiving vanzelf tot stand gekomen, of was het het resultaat van een bewust proces?

Naarmate economische druk en materiële levensomstandigheden de dagelijkse prioriteiten bepalen, lijken politieke vraagstukken op de lange termijn ondergeschikt te worden aan zorgen over het overleven. Dit suggereert dat verarming niet alleen een economische functie vervult, maar ook een diepgaande politieke. Verarming is een van de meest effectieve middelen om politieke organisatie en collectief geheugen te ondermijnen. De Turkse staat lijkt dit instrument intensief te hebben ingezet in de context van Koerdistan, waarbij een strategie werd gevolgd die er zelfs op gericht was het sociale geheugen zelf te verzwakken.

De diepere gevolgen van verarming

Toegang tot onderwijs in Koerdistan is een veelzijdig probleem geworden dat wordt bepaald door zowel economische als politieke factoren. Een aanzienlijk aantal kinderen in de schoolgaande leeftijd wordt gedwongen om op jonge leeftijd te gaan werken om bij te dragen aan het gezinsinkomen. Kinderarbeid, met name in seizoensgebonden landbouwwerk en andere informele sectoren, blijft een structureel probleem. Het percentage voortijdige schoolverlaters blijft hoog, terwijl de doorstroming naar het hoger onderwijs relatief laag is. 

Veel jongeren die hun universitaire opleiding afronden, kunnen in de regio geen werk vinden en trekken daarom naar de westelijke provincies of naar het buitenland. Deze „braindrain“ zorgt voor een vicieuze cirkel die de ontwikkeling van gekwalificeerd personeel binnen Koerdistan zelf ondermijnt.

De uitholling van de sociale solidariteit

Langdurige economische druk heeft ook de traditionele solidariteitsnetwerken in de regio verzwakt. De achteruitgang van de relaties tussen buren, de verzwakking van de gemeenschapsbanden en de uitholling van het wederzijds vertrouwen zijn opvallende indicatoren van deze structurele transformatie. Naarmate de economische concurrentie toeneemt, worden collectieve vormen van wederzijdse hulp steeds vaker vervangen door individuele overlevingsstrategieën. Voor een sociale structuur die van oudsher gekenmerkt wordt door collectieve solidariteit, vormt deze sociaaleconomische transformatie een van de belangrijkste ontwikkelingen die risico’s op de lange termijn met zich meebrengt.

Tijdelijke oplossingen en de risico’s daarvan

Veel van de maatregelen die zijn ontwikkeld om armoede in Koerdistan aan te pakken, zijn tijdelijk van aard. Ze zijn gericht op het verlichten van symptomen in plaats van het aanpakken van structurele oorzaken. Voedselpakketten, kledinghulp en financiële steun zijn van levensbelang voor gezinnen, maar bieden geen oplossing voor het bredere probleem van structurele verarming in de regio.

Vóór 2016 bouwden diverse maatschappelijke organisaties en solidariteitsnetwerken via dergelijke vormen van hulp banden op met gemeenschappen. Een aanzienlijk deel van de bevolking raakte afhankelijk van deze structuren. De sluiting van deze instellingen in het kader van de noodtoestand en de decreetwetten liet echter een diepgaand vacuüm achter. Het gevolg was nog grotere armoede.

De centrale tegenstrijdigheid ligt in het feit dat hulp wordt georganiseerd via een relatie tussen „gever“ en „ontvanger“, waardoor afhankelijkheid onvermijdelijk is. Voor een volk dat in zijn eigen thuisland te maken heeft met koloniale praktijken, verlicht deze afhankelijkheid het systeem niet, maar versterkt het juist.

Structurele oplossingen: van coöperaties tot lokale vergaderingen

Als we het hebben over verarming, moeten we het ook hebben over structurele antwoorden daarop. Ervaringen van volksbewegingen in koloniale en semi-koloniale samenlevingen over de hele wereld laten gemeenschappelijke kenmerken zien in succesvol beleid tegen armoede. Deze omvatten de socialisatie van de productiemiddelen, de totstandbrenging van coöperatieve economieën via lokale vergaderingen en de versterking van lokale kringlopen van hulpbronnen.

Dit debat is niet nieuw in Koerdistan. Toch hebben de barre omstandigheden en het repressieve beleid van het afgelopen decennium de inspanningen om deze ideeën in de praktijk te brengen vertraagd. Niettemin bieden sommige ervaringen hoop. Vrouwencoöperaties, solidariteitsnetwerken in de landbouw en buurtgerichte productie-initiatieven tonen aan dat het mogelijk is om alternatieve economische verhoudingen te creëren, zelfs op kleine schaal.

Om deze ervaringen uit te breiden en om te zetten in een strategie die het beleid van verarming kan tegengaan, moet de band tussen politieke organisatie, lokale democratie en collectieve productie opnieuw worden opgebouwd.

Auteur: Rüstem Sincer

 

 
 

Gerelateerde Artikelen