- Turkije
DEM-parlementslid Dilan Kunt Ayan heeft een parlementaire vraag ingediend over de opheldering van onopgeloste misdaden in Turkije. De vraag is gericht aan minister van Justitie Akın Gürlek en gaat met name over de vraag of oude zaken van moord, verdwijningen en buitengerechtelijke executies opnieuw worden onderzocht. Aanleiding voor de vraag is een nieuw opgerichte afdeling binnen het ministerie van Justitie. Deze is ondergebracht bij het directoraat-generaal Strafrechtelijke Zaken en moet volgens officiële verklaringen de coördinatie van onderzoeken naar zogenaamde „onopgeloste misdrijven“ op zich nemen.
Ayan betwijfelt of deze structuur daadwerkelijk kan bijdragen aan een grondige afhandeling van deze zaken. In haar vraag wijst zij erop dat moorden door onbekende daders, gedwongen verdwijningen en buitengerechtelijke executies al decennia lang een structureel probleem vormen, met name in de jaren negentig in de Koerdische provincies. Veel van deze zaken zouden nooit consequent zijn vervolgd. In plaats daarvan zouden ze vaak zijn beëindigd door verjaring, seponering of vrijspraak. Dit heeft geleid tot een diepgewortelde cultuur van straffeloosheid, bekritiseert de parlementslid.
Tegelijkertijd bekritiseert Ayan dat de nieuwe afdeling tot nu toe geen duidelijk werkkader laat zien. Het is onduidelijk welke zaken concreet worden onderzocht, welke bevoegdheden er zijn en volgens welke criteria het werk wordt uitgevoerd. Ook is er tot nu toe geen voorziening voor transparante verslaglegging over de activiteiten van de instantie. In haar vraag verwijst Ayan naar belangrijke zaken die tot op heden niet volledig zijn opgehelderd. Daartoe behoren de moord op de Koerdische intellectueel Musa Anter (1992) en de moord op de advocaat Tahir Elçi (2015). Ook worden procedures met banden met de onofficiële militaire inlichtingendienst JITEM aan de orde gesteld.
Daarnaast brengt de politica zogenaamde „verdachte sterfgevallen“ ter sprake, waaronder zaken die als zelfmoord zijn aangemerkt en geweld tegen vrouwen, waarbij twijfel bestaat over het officiële verloop. Ook de eisen van de familieleden van verdwenen personen, met name de ‘zaterdagmoeders’, worden aan de orde gesteld. Concreet vraagt Ayan om informatie over de vraag of reeds afgesloten procedures, bijvoorbeeld vanwege verjaring of gebrek aan bewijs, opnieuw kunnen worden geopend.
Ze vraagt zich ook af of de nieuwe afdeling uitgebreide bevoegdheden zal krijgen op het gebied van bewijsvergaring, het openstellen van overheidsarchieven en het onderzoeken van de verantwoordelijkheid van ambtenaren. De vraag roept daarmee fundamentele vragen op over de rol van justitie bij de aanpak van historische misdaden. Of de nieuw opgerichte afdeling daadwerkelijk een breuk kan betekenen met de huidige praktijk van straffeloosheid, is vooralsnog onduidelijk.