Het Comité van Ministers van de Raad van Europa heeft Turkije opnieuw opgeroepen om de vrijlating van de voormalige HDP-voorzitters Selahattin Demirtaş en Figen Yüksekdağ te waarborgen. In zijn besluit, dat werd aangenomen tijdens de 1563e mensenrechtenzitting van 9 tot 11 juni, bevestigde het Comité de bevindingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarin werd vastgesteld dat de detentie van de twee politici politiek gemotiveerd was.
Het Comité van Ministers herinnerde eraan dat het EHRM al had vastgesteld dat de toenmalige parlementsleden zonder voldoende bewijs van een vermoeden van schuld waren vastgezet. Bovendien had het Hof geoordeeld dat de opheffing van hun parlementaire immuniteit en de tegen hen gevoerde procedures wegens politieke toespraken niet voldeden aan fundamentele vereisten van de rechtsstaat.
Politieke motivering blijft bestaan
Het Comité van Ministers hecht bijzonder belang aan het recente EHRM-arrest „Selahattin Demirtaş nr. 4”. Daarin kwam het Hof tot de conclusie dat het door de Turkse rechtbanken aangevoerde bewijs noch de detentie, noch de veroordeling van Selahattin Demirtaş of Figen Yüksekdağ rechtvaardigde. Volgens het Comité van Ministers bevestigt het arrest de eerdere bevindingen van het Hof en onderbouwt het de inschatting dat de politieke motieven achter de procedures nog steeds bestaan.
Oproep tot onmiddellijke vrijlating
Tegen deze achtergrond herhaalde het Comité van Ministers zijn eerdere oproep aan Turkije om de vrijlating van Demirtaş en Yüksekdağ te waarborgen „met alle beschikbare middelen”. Tegelijkertijd herinnerde het orgaan eraan dat de uitvoering van arresten van het EHRM bindend is voor de lidstaten van de Raad van Europa en niet afhankelijk mag worden gemaakt van politieke overwegingen. Het Comité toonde zich bezorgd over het feit dat zowel het Turkse Constitutionele Hof als de bevoegde hoven van beroep tot nu toe geen vooruitgang hebben geboekt bij de behandeling van de aanhangige beroepen. De rechtbanken werden opgeroepen de procedures zonder verder uitstel en in volledige overeenstemming met de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te behandelen.
Rechten van de betrokkenen herstellen
Het Comité van Ministers verwelkomde tegelijkertijd de ontwikkelingen met betrekking tot andere klagers uit dezelfde groep, die inmiddels niet meer in hechtenis zitten. Bovendien riep het de Turkse autoriteiten op om alle negatieve gevolgen van de tegen de betrokkenen gevoerde procedures ongedaan te maken. Dit betreft met name het herstel van politieke rechten, met inbegrip van het passief kiesrecht. In dit verband eiste het Comité van de Turkse autoriteiten duidelijkheid over de vraag of de voormalige HDP-parlementslid Burcu Çelik Özkan, ondanks definitieve vonnissen, nog steeds het recht heeft om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen.
Herbeoordeling in september
Het Comité van Ministers heeft besloten het toezicht op de uitvoering van de vonnissen in de zaken Demirtaş en Yüksekdağ voort te zetten. De volgende behandeling van de individuele en algemene maatregelen staat gepland voor de 1569e zitting van de Commissie voor de Rechten van de Mens in september 2026. Bovendien riep het comité de Turkse autoriteiten op om regelmatig verslag uit te brengen over maatregelen die in het kader van de werkzaamheden van de “Commissie voor nationale solidariteit, broederschap en democratie” zijn gepland of reeds zijn uitgevoerd. De commissie was opgericht in verband met Abdullah Öcalans oproep tot vrede en een democratische samenleving.
De zogenaamde Gurban-groep, waarvan ook de Koerdische vertegenwoordiger Abdullah Öcalan deel uitmaakt, en de zaak rond het recht op hoop stonden niet op de agenda van de zitting van het Comité van Ministers in juni. De volgende behandeling van dit complex wordt op een later tijdstip verwacht.